Mijn ontmoeting met God en andere avonturen

16 juli 2010 - Wouter Godijns nieuwe roman Mijn ontmoeting met God en andere avonturen vertoont enige gelijkenis met het bijbelboek Job. De succesvolle en gelukkige hoofdpersoon wordt plotseling geslagen door het ongeluk. Hij heeft MS en wordt bovendien depressief. Net als Job daagt ook Godijns hoofdpersoon God uit in een kritisch tweegesprek. Godijn schreef een even ontluisterend als hilarisch boek waarin de lezer voortdurend op het verkeerde been wordt gezet.

door Liesbeth Eugelink

Speelgoedautootje
“(…) leven zonder God (…). Kunnen we dat?” De hoofdpersoon stelt de vraag tijdens het chaotisch verlopende avondeten met zijn vrouw Marleen en zijn twee kinderen Marion en Bartje. Antwoord van zijn gezinsleden krijgt
hij niet. Wel glijdt hij uit over een speelgoedautootje, maakt een nare smak, belandt in bed met zijn vrouw, waarop de depressie de volgende dag genadeloos toeslaat.

Dinosaurus
De theodiceevraag is de centrale kwestie van de roman, die Godijn overigens ook al in eerder werk ter sprake bracht. Zoals in zijn vorige roman De dood van een auteur (2007), die genomineerd werd voor de Libris Literatuurprijs. Ook in zijn een-na-laatste, mooie dichtbundel De zieken breken (2008) wordt de vraag naar het (niet-)bestaan van God gesteld: ‘Misschien stierf G niet / toen N zijn dood vaststelde, maar al veel eerder’ (uit het gedicht Veronderstellingen). In Mijn ontmoeting met God komt de kwestie tot een climax als de schrijver zelfmoord pleegt door van een dak te springen en vervolgens God ontmoet, onder meer in de gedaante van een dinosaurus met een nogal sterke mondgeur. Het is deze ‘dinges’, deze ‘G’ die door de hoofdpersoon kritisch bejegend wordt om zijn vermeende goedheid en almacht.

Bijna-doodervaring
Net als in Godijns eerder werk onderbreekt in Mijn ontmoeting met God de verteller regelmatig zijn eigen verhaal. Ook spreekt hij de lezer geregeld rechtstreeks aan en schept hij verwarring over de fictionele status van het vertelde. Dit postmoderne spel met de verteltechniek, waarbij de lezer er voortdurend op gewezen wordt dat wat hij leest verzonnen is, heeft mij nooit bijzonder aangesproken. Het is vaak een gemakkelijke oplossing voor een lastig probleem, namelijk het bedenken van een geloofwaardig plot. Het einde van Godijns roman lijdt op het eerste gezicht aan hetzelfde euvel van de gemakzuchtigheid. Zo blijkt het boek dat we net gelezen hebben een manuscript te zijn dat de hoofdpersoon ooit geschreven heeft, en dat hij nu, na zoveel jaar, weer heeft teruggevonden. Dat slot roept vragen op. Want is de hoofdpersoon, binnen het fictionele raamwerk van de roman, daadwerkelijk van een flatgebouw afgesprongen? En is zijn ontmoeting met God daarmee te beschouwen als een soort bijna-doodervaring (BDE)? Of was het ‘maar fantasie’, zoals de verteller ostentatief meedeelt? Maar hoe moeten we het plot dán begrijpen?

Drie-eenheid
Godijn beantwoordt bovenstaande vragen niet direct inhoudelijk, maar narratologisch, dat wil zeggen: op het niveau van het vertellen. In en met zijn roman trekt Godijn een parallel tussen het geloof hechten aan de werkelijkheidsstatus van fictie en het geloven in (een) God. Als je iets leest en je gelooft erin, dan bestaat het. Maar alleen, en voor zover je daarin gelooft. Godijn lijkt er in zijn roman een soortgelijke redenering op na te houden ten aanzien van het bestaan van God. God bestaat, als, en wanneer je in hem gelooft. Het bestaan van God, zijn Goedheid en zijn Almacht, zijn (dus) afhankelijk van ons geloof erin. (Een opvatting die verwantschap vertoont met Frans Kellendonks omstreden begrip van het ‘oprechte veinzen’.) Het voert te ver om er hier dieper op in te gaan, maar het heeft er veel van weg dat Godijn in zijn roman een soort narratologische drie-eenheid construeert, met de auteur Wouter Godijn als de Vader, zijn hoofdpersoon als de Zoon en wij, de lezers, als de Heilige Geest.

Hilarisch
Die oplossing is meer dan een postmoderne frats. Het gaat Godijn namelijk niet om een afrekening met het door zijn ouders overgeleverde geloof, zoals we zo vaak zien bij auteurs van zijn generatie. (Geboren in 1955 behoort Godijn nog net tot de zogenaamde babyboomgeneratie.) Hij wil zelfs niet de spot drijven met religie, hoewel het door hem gepresenteerde Godsbeeld – God als dino bijvoorbeeld – daar wel aanleiding toe geeft. Voor Godijn staat er wel degelijk meer op het spel, namelijk de zin van het lijden en de rol die God daarbij speelt. Mijn ontmoeting met God is daarin even schril als hilarisch, en is geschreven in een opgewekte toon waaronder voortdurend de wanhoop sluimert. De beschreven situaties zijn op het zotte af en soms ongekend plat. Nietsontziend maakt Godijn ons duidelijk dat ziek zijn niets verheffends heeft. Integendeel: het betekent een totale ontluistering van het bestaan. Godijns beschrijving van het bustochtje dat zijn hoofdpersoon maakt – een ware bezoeking –, zal de lezer niet licht vergeten: ‘Ik had me bij het hiernamaals iets anders voorgesteld dan een lege bus waarin je, vergezeld door een ongeïnteresseerde chauffeur, steeds dieper in de eeuwigheid wegzakte.’

Vlinderdasje
Mijn ontmoeting met God bevat vele gedenkwaardige zinnen, waaruit duidelijk de dichterlijke aanleg van Godijn blijkt – behalve drie romans publiceerde hij ook zes dichtbundels. De moeder van de hoofdpersoon wordt bijvoorbeeld als volgt getypeerd: ‘[…] haar glimlach had iets parmantig straks, waardoor het soms even leek of ze een vlinderdasje onder haar neus droeg.’ Als dichter is taal voor Godijn niet louter een doorgeefluik voor informatie, maar materiaal dat in zijn handen gaat leven, dansen zelfs: ‘Heb ik eigenlijk uitgelegd waarom Marleen en ik niet bij elkaar slapen? Verteld over het witte praalgraf van onze gezamenlijke nachten?’Iedereen die na dergelijke zinnen nog durft te beweren dat humor en geloof niet samengaan in een boek, heeft Wouter Godijn niet goed gelezen. Ik heb in ieder geval zelden een roman gelezen waar ik even hard om heb moeten lachen als dat ik er pijnlijk door getroffen was, terwijl het tegelijkertijd lastige theologische thema’s niet schuwt. ‘Als de bus er zo snel is, heb ik altijd het gevoel dat het leven het beste met me voorheeft.’


Wouter Godijn, Mijn ontmoeting met God en andere avonturen, Uitgeverij Contact (2010) ISBN 9789025450984


Liesbeth Eugelink (1970) is schrijver, essayist en criticus. Zij publiceerde onder meer in De Groene Amsterdammer, NRC Handelsblad en Trouw. In 2007 verscheen van haar Niets in mij gelooft dat (Ten Have), over (het taboe) op religie in de moderne Nederlandse literatuur.
www.liesbetheugelink.nl