En het regende brood

7 oktober 2012 – In de nieuwe dramaserie De geheimen van Barslet van NCRV-NTR regent het in elk van de zeven afleveringen vissen. De debuutroman van Stefan van Dierendonck (1972) heet wel En het regende brood (2012), maar strikt genomen is het brood in dit boek juist geen hemels manna, maar vergif; van de gluten in de hostie wordt de jongste priester van Nederland, Clemens Driessen, doodziek. Een intrigerend debuut over roeping, de strijd tussen leer en geloof en de zoektocht naar innerlijke verlossing.

door Liesbeth Eugelink

Hostie
Wat doe je als jonge priester, als blijkt dat je aan glutenintolerantie lijdt en dus niet volledig kunt deelnemen aan de Heilige Eucharistie, omdat de hostie, Lichaam van Christus, gluten bevat waar je ziek van wordt? In de debuutroman En het regende brood van Stefan van Dierendonck (1972) draait dat dilemma voor hoofdpersoon Clemens Driessen uit op een offer van zijn lichaam. Hij racet met zijn motor op hoge snelheid door Rome en komt op de Ponte Cestio ten val. Zonder helm op en zonder motorpak aan een verloren zaak voor de motorrijder. Maar ook een gewenste zaak, zo blijkt uit zijn afscheidsbrief. ‘Laten de artsen mijn gebroken lichaam oogsten en dorsten en kneden en bakken en uitdelen aan de behoeftigen, de zieken, de gewonden,’ staat daar. Hij stelt zichzelf ter beschikking als orgaandonor en wordt als het ware zelf een hostie, met ‘bloedgroep A positief’, zoals Clemens niet zonder humor vermeldt.

Ontdoping
Die gewelddadige dood van de jonge priester is de apotheose van een steeds heviger geloofstwijfel. Clemens’ roeping blijkt, na zijn vertrek van de priesteropleiding, niet bestand tegen het leven en werken in een parochie en de wurgende greep van de rooms-katholieke kerk. Een twijfel die culmineert in een ontluisterende geloofsafval in de Sint-Pietersbasiliek in Rome waar de priester acute buikloop krijgt als hij tijdens de eucharistieviering, tegen beter weten in, een hostie neemt. ‘Clemens had zijn ontdoping beleefd in zijn eigen vuile water,’ constateert de verteller in een tegelijkertijd symbolisch beladen als droogkomische stijl.

Slachtoffer
Clemens is een slachtoffer, zo lijkt Van Dierendonck te willen zeggen, maar van wie of van wat? Van zijn eigen volgzaamheid aan de dogmatiek? Of van het instituut Kerk dat welwillende gelovigen vermorzelt als ze niet uitkijken? Passief is Clemens in ieder geval. Ten aanzien van medeseminarist Pim, die hem tijdens de priesteropleiding onzedelijk betast. Ten aanzien van de inwoners van zijn parochie, aan wier geestelijke hulpvraag hij geen paal en perk stelt zodat hij mentaal en fysiek uitgeput raakt. En ook ten opzichte van de Poolse prelaat in Rome die hem verbiedt glutenvrije hosties te gebruiken. De twijfel en de boosheid hierover bewaart Clemens voor zijn dagboeken en zijn cassettebandjes. Maar je zou willen dat hij, ook naar buiten toe, meer voor zichzelf, of beter: voor zijn geloof opkwam en zou zeggen: ‘Ik laat mijn geloof niet aantasten door het instituut Kerk en haar vertegenwoordigers. Het gaat om mijn geweten, mijn relatie met God.’ Verhaaltechnisch werkt Van Dierendonck Clemens’ dilemma knap uit door hem op de motor naar Rome te laten rijden. De priester, meer een zondagsrijder dan een easy rider, proeft even van de vrijheid, terwijl de lezer dan al aanvoelt dat die reis naar het beloofde land hem uiteindelijk fataal wordt.

Autobiografisch
Van Dierendonck ging zelf na het vwo naar het Groot-Seminarie, het Sint-Janscentrum in ’s-Hertogenbosch. De auteur kent de wereld van de kerk dus van binnenuit. Dat is goed te merken aan het gemak waarmee hij over de rooms-katholieke rituelen, gebruiken en tradities schrijft. Tegelijkertijd weet hij daar, qua taal en beeldgebruik, een eigen draai aan te geven. Zo wordt de Sint-Pieter ‘een smeltkroes van de hemelse economie’ genoemd en spreekt de auteur naar aanleiding van het Tweede Vaticaans Concilie – de hervorming van de liturgie in de jaren zestig – over ‘de verloren wijsheid van Trente’. Taalgebruik dat een beetje doet denken aan A.F.Th. van der Heijden, ook een van oorsprong Brabants en katholiek schrijver. Aan de andere kant schrijft Van Dierendonck eigentijds losjes én is zijn eersteling niet vrij van spot, voor de goede lezer zelfs bijtende spot, als je voorbij de Dagboek van een herdershond-achtige setting – ‘priester in dorpsparochie’ – weet te kijken: ‘De hostie kan me geen kwaad doen, niet echt, dat geloof ik. Maar geloven mijn darmen het ook?’

Verzonnen
Het levensverhaal van de jonge priester wordt verteld door pater Johannes Beckers, Clemens’ mentor tijdens de priesteropleiding. En het regende brood krijgt daardoor iets thrillerachtigs; als lezer wil je weten hoe het afloopt. Nadeel van die opzet is dat soms onduidelijk is wie er aan het woord is. Clemens Driessen, Johannes Beckers of toch de alwetende verteller? Nadeel is verder dat we nergens echt onder de huid kruipen van de hoofdpersoon. We lezen weliswaar, over de schouder van Johannes, mee in zijn dagboeken, en we luisteren via hem naar de door Clemens ingesproken cassettebandjes. Maar er is, overall, te weinig ik-perspectief om Clemens’ wanhoop echt invoelbaar te maken. Ook Beckers zelf komt niet helemaal uit de verf; we zien hem af en toe in zijn kloostercel, geheel in de ban van Clemens’ papieren. Dat het hele verhaal op het eind verzonnen blijkt door de depressieve pater, komt echter enigszins uit de lucht vallen. Zo laat Van Dierendonck de abt van Sint-Benedictusberg in het slotwoord verklaren: ‘Voor een betrokken katholiek is dit geen gemakkelijk te verteren notie. Hij kan het hele boek beschouwen als een aanval op de moederkerk, de auteur als een immorele klokkenluider.’ Dat lijkt vooral een ingreep van Van Dierendonck zelf om zich in te dekken tegen al te stormachtige kerkelijke kritiek op zijn vrijpostige roman.

Ziek
Debutant Van Dierendonck heeft veel in zijn mars; hij weet een wereld die velen van ons niet goed kennen overtuigend neer te zetten. Hij werkt knap toe naar de ‘ontknoping’, tevens brandpunt van de roman waar het meest heilige en het meest banale samenkomen in één sprekend beeld – ‘Hij had zich eindelijk ontlast.’ Maar als geheel overtuigt de roman niet helemaal. Dat komt omdat niet volledig duidelijk is wat de roman wil overbrengen. Is En het regende brood een kritiek op de kerk? Een verslag van een geloofsafval? Of toch gewoon een autobiografisch verslag van een te laat ontdekte glutenallergie? En hoe fascinerend het gegeven ook is – aankomend priester wordt ziek van de hostie en komt in geloofsproblemen – met een glutenallergie is op zich te leven. Glutenvrije hosties zijn weliswaar verboden in de kerkelijke wetgeving en traditie zodat er alleen glutenarme hosties gebruikt mogen worden – de roman verwijst naar Thomas van Aquino, ‘vastgelegd in ons wetboek, canon 924 lid 2’ –, maar zelfmoord als antwoord op het dilemma? Waarschijnlijk toont zich hier de verbeeldingskracht van een schrijver die zo stilistisch bekwaam is dat hij zelfs ontlasting weet te verheffen tot literatuur.


Liesbeth Eugelink (1970) is schrijver en essayist. Zij publiceerde onder meer in De Groene Amsterdammer, NRC Handelsblad en Trouw. In 2007 verscheen van haar
Niets in mij gelooft dat (Ten Have), over (het taboe) op religie in de moderne Nederlandse literatuur. Momenteel schrijft ze aan haar proefschrift over literatuur en mystiek.