Het erbarmen van de Eeuwige
KeizerHet Habsburger hof kende een prachtig begrafenisritueel. Overleden keizers en keizerinnen werden begraven in de Kapuzinergruft, de crypte van de Weense kapucijnenkerk. Op de dag van de uitvaart naderde een uitbundige stoet de kerk. De kerkdeuren waren gesloten. Daarachter de gardiaan, de overste van het minderbroederklooster. De keizerlijke ceremoniemeester klopte op de deur. De gardiaan vroeg: “Wie is daar?” waarop de ceremoniemeester antwoordde: “Zijne keizerlijke, koninklijke en apostolische Majesteit, bij de gratie Gods Keizer van Oostenrijk, Koning van Hongarije, van Lombardije, van Venetië, Bohemen, van Dalmatië, Kroatië, Koning van Jeruzalem, Groothertog van Toscane en Krakau, etc., etc.”. Stilte. De gardaan: ”Die kennen wij niet.” Dit ritueel herhaalde zich. Kloppen. “Wie is daar?” “De Keizer van Oostenrijk, de Koning van Hongarije …”. Stilte. “Die kennen wij niet.” Dan voor de derde keer geklop. “Wie is daar?” vroeg de prior opnieuw. “Een zondige ziel die hoopt op het erbarmen van de Eeuwige.” Pas dan gingen de deuren open en kon de stoet de kapel binnengaan.
Gebreid mutsje
Ik moest aan dit prachtige ritueel denken, toen ik afgelopen vrijdag bij de kist stond van Jan Fengers. Jan zong jarenlang in het kerkkoor dat ik dirigeer in de Amsterdamse Pijp. Hij was
een zonderlinge man. Zijn bijnaam was Catweazle. Hij liep in oude lompen. Op zijn hoofd een gebreid mutsje dat hij zelfs in bed ophield. Jan leefde in een andere wereld, in een andere
tijd. Als je zijn kleine woning betrad dan waande je je 100 jaar terug in de tijd. Het leven van Jan bestond uit muziek. Hij speelde gitaar. Franse chansons en jazz waren zijn grote passie.
Halfvol
Jan is nooit getrouwd geweest en had behalve een nicht nauwelijks familie. Hij was vaak ziek en kon uiteindelijk amper nog lopen omdat , naar eigen zeggen, drie rugwervels ontbraken. Toch was
hij nooit verbitterd. Integendeel, voor Jan was het glas altijd halfvol. Hij genoot intens als je hem aandacht schonk. Een antwoord op een op zich eenvoudige vraag kon met gemak 10 minuten
duren. Dat is niet zo vreemd als je je bedenkt dat de laatste jaren de koorrepetitie zo’n beetje zijn enige uitje was in de week.
Als een kind zo blij
Toen hij niet meer op zichzelf kon wonen, verhuisde hij noodgedwongen naar een verzorgingshuis. Daar zocht ik hem nog een paar keer op. Te weinig, vind ik achteraf. Als een kind zo blij was hij
dan. Zelf hoefde ik eigenlijk nauwelijks iets te zeggen. Jan praatte aan één stuk door over muziek, over zijn tijd bij het koor en zijn zorg over hoe het verder moest met het
katholieke geloof.
In paradisum
Nu is Jan het zwijgen opgelegd. Dat kon maar één iemand: de Eeuwige. Hij is 90 jaar geworden. En nu sta ik daar op een druilerige vrijdagmorgen op de
katholieke begraafplaats St. Barbara. De lijkwagen is zojuist gearriveerd. Ik ben de enige. De begrafenisondernemer vraagt zich bezorgd af of ik wel bij de goede kist sta. Ze rekenen blijkbaar
op niemand. Na een kwartier verschijnt de pastoor, Jans nicht en haar twee puberkinderen. Een dienst in de aula is er niet. We gaan rechtstreeks naar het graf. Op weg er naartoe zing ik een
Nederlandse versie van het In Paradisum. Alleen. “Mogen de engelen u geleiden naar het paradijs”.
In vrede
Aan het graf bidden we psalm 139 en psalm 23. Al moet ik het duister in van de dood,ik ben niet angstig, U bent toch bij mij, onder uw hoede durf ik het aan. Met wierook en wijwater
wordt Jan de eer gebracht die hem toekomt. “Heer, geef hem de eeuwige rust”, besluit de pastoor, “en het eeuwige lichte verlichte hem”, antwoord ik. “Dat hij ruste
in vrede.” “Amen.”
Vertrouwen
En soberder begrafenis heb ik nog niet meegemaakt. Toch maakt hij diepe indruk. Ik denk aan het begrafenisritueel van de Habsburgers en troost me met de gedachte dat in
de ogen van de Eeuwige er geen enkel verschil is tussen een keizer en een zonderlinge Amsterdamse troubadour. Beiden zijn zondige zielen die hun vertrouwen hebben gesteld op het erbarmen
van de Eeuwige.
Wilfred Kemp




