DEEL3: HET LEVEN IN CHRISTUS

EERSTE SECTIE: DE ROEPING VAN DE MENS: HET LEVEN IN DE GEEST


EERSTE HOOFDSTUK: De waardigheid van de menselijke persoon

ARTIKEL 4: De moraliteit van de menselijke daden
II. Goede daden en slechte daden
1755

De moreel goede daad veronderstelt tegelijkertijd de goedheid van het object, van het doel en van de omstandigheden. Een slecht doel bederft de daad, zelfs indien het object in zichzelf goed is (zoals bidden en vasten 'om door de mensen gezien te worden').

Het object van de keuze kan op zichzelf het geheel van een daad bederven. Er zijn concrete gedragingen - zoals ontucht - waarvoor men nooit mag kiezen, omdat de keuze voor deze daden een wanorde van de wil, een moreel kwaad is.
1756

1789
Het is dus verkeerd te oordelen over de moraliteit van de menselijke daden door alleen te kijken naar de bedoeling die hen drijft, of naar de omstandigheden {Mi.lieu, sociale druk, dwang of noodzaak om te handelen, enz.) die er het kader van vormen. Er zijn daden die door en in zichzelf, onafhankelijk van de omstandigheden en de bedoelingen, altijd zwaar ontoelaatbaar zijn vanwege hun object; zoals godslastering, meineed, doodslag en overspel. Het is niet toegelaten kwaad te doen opdat er een goed uit voort zou komen.

Terug naar de inhoud | Terug bladeren | Vooruit bladeren