DEEL 1: DE GELOOFSBELIJDENIS
TWEEDE SECTIE : DE BELIJDENIS VAN HET CHRISTELIJK GELOOF DE GELOOFSBELIJDENISSEN
DERDE HOOFDSTUK: Ik geloof in de heilige Geest
ARTIKEL 9: 'Ik geloof in de heilige, katholieke kerk'
PARAGRAAF 4: De christengelovigen - Hiërarchie, leken, gewijd leven
I. De hiërarchische structuur van de kerk
Waartoe is het kerkelijk ambt ingesteld?
| 874 1544 | Christus zelf is de bron van het ambt in de kerk. Hij heeft het ingesteld, en er gezag, een zending, een oriëntatie en een bestemming aan gegeven: |
| Om het volk van God te hoeden en steeds verder uit te breiden heeft Christus, de Heer, in zijn kerk verschillende ambten ingesteld die het welzijn van heel het lichaam tot doel hebben. De bedienaars immers staan krachtens de gewijde macht waarover zij beschikken in dienst van hun broeders, opdat allen die deel uitmaken van Gods volk (...), tot het heil komen'.1 |
| 875 166 1548 1536 | 'Hoe kan men in Hem geloven zonder van Hem te hebben gehoord? Hoe kan men van Hem horen, als niemand Hem verkondigt?' {Rom. 10,14-15}. Niemand, geen enkel individu, geen enkele gemeenschap, kan aan zichzelf het evangelie verkondigen. 'Het geloof ontstaat door prediking' {Rom. 10,17}. Niemand kan zichzelf de opdracht en de zending geven het evangelie te verkondigen. De gezondene van de Heer spreekt en handelt niet op eigen gezag, maar krachtens het gezag van Christus: niet als lid van de gemeenschap, maar in naam van Christus spreekt hij tot haar. Niemand kan zichzelf de genade schenken, ze moet gegeven en aangeboden worden. Dat veronderstelt bedienaren van de genade die door Christus daartoe gemachtigd en gerechtigd zijn. Van Hem ontvangen zij de zending en de bevoegdheid (de 'gewijde macht') te handelen in persona Christi Capitis. Dit ambt waarin de gezondenen van Christus door Gods gave doen en geven wat zij uit zichzelf niet kunnen doen en geven, noemt de traditie van de kerk 'sacrament'. Het ambt in de kerk wordt door een eigen sacrament verleend. |
| 876 1551 427 | Wezenlijk verbonden met de sacramentele natuur van het kerkelijk ambt is zijn karakter van dienstbaarheid. Immers, geheel afhankelijk van Christus die zijn dienaren hun zending en gezag geeft, zijn zij werkelijk 'dienstknechten van Christus' {Rom. 1,1}, naar het beeld van Christus die uit vrije wil voor ons 'het bestaan van een slaaf' heeft aangenomen {Fil. 2,7}. Omdat het woord en de genade waarvan zij de bedienaren zijn, niet van henzelf, maar van Christus zijn, die hun deze ten dienste van de anderen heeft toevertrouwd, moeten zij uit vrije wil slaaf van allen worden.1 |
| 877 1559 | Eveneens hoort het tot de sacramentele natuur van het kerkelijk ambt dat het een collegiaal karakter heeft. Immers, vanaf het begin van zijn dienstwerk heeft de Heer de Twaalf 'het zaad van het nieuwe Israël en tegelijk de oorsprong van de heilige hiërarchie' aangesteld.1 Samen uitgekozen zijn zij ook samen gezonden en hun broederlijke eenheid moet de broederlijke gemeenschap van alle gelovigen dienen; ze zal als een weerspiegeling en een getuigenis zijn van de gemeenschap van de goddelijke personen.2 Daarom oefent iedere bisschop zijn ambt uit binnen het college van bisschoppen, in gemeenschap met de bisschop van Rome, opvolger van de heilige Petrus en hoofd van het college; de priesters oefenen hun ambt uit binnen het priestercollege van het bisdom onder leiding van hun bisschop. |
| 878 1484 | Tenslotte is het aan de sacramentele natuur van het kerkelijk ambt eigen dat het een persoonlijk karakter heeft. Als de dienaren van Christus gemeenschappelijk handelen, dan handelen zij ook altijd persoonlijk. Ieder wordt persoonlijk geroepen: 'Gij moet Mij volgen' {Joh. 21,22}1 om in de gemeenschappelijke zending persoonlijk getuige te zijn door persoonlijk verantwoordelijkheid te dragen ten opzichte van Hem die de zending verleent, door 'in zijn persoon' en voor personen te handelen: 'Ik doop u in de naam van de Vader (...)'; 'Ik vergeef u (...)'. |
| 879 | Het sacramentele ambt in de kerk is dus tegelijk een collegiale en een persoonlijke dienst, die wordt uitgeoefend in naam van Christus. Dat wordt bewaarheid in de banden tussen het college van bisschoppen en zijn hoofd, de opvolger van de heilige Petrus, en in de verhouding tussen de pastorale verantwoordelijkheid van de bisschop voor zijn particuliere kerk en de gemeenschappelijke zorg van het college van bisschoppen voor de universele kerk. |
Het college van bisschoppen en zijn hoofd, de paus
| 880 552 862 | Toen Christus de Twaalf aanstelde 'maakte Hij van hen een college of vaste groep en stelde hij Petrus, uit hun midden gekozen, aan hun hoofd'.1 'Zoals Petrus en de andere apostelen één apostolisch college vormen door de instelling van de Heer, zo zijn op gelijke wijze de paus van Rome, de opvolger van Petrus, en de bisschoppen, de opvolgers van de apostelen, met elkaar verbonden'.2 |
| 881 553 642 | De Heer heeft alleen van Simon, aan wie Hij de naam Petrus ('rots') gaf, de rots van zijn kerk gemaakt. Hij heeft hem de sleutels ervan overhandigd;1 Hij heeft hem aangesteld tot herder van heel de kudde.2 'Maar het staat vast dat deze taak om te binden en te ontbinden, die aan Petrus is gegeven, ook aan het college van apostelen, verbonden met hun hoofd, gegeven is'.3 Deze pastorale taak van Petrus en de andere apostelen behoort tot de fundamenten van de kerk. Zij wordt voortgezet door de bisschoppen onder het primaatschap van de paus. |
| 882 834 1369 837 | De paus, bisschop van Rome en opvolger van Petrus, 'is het blijvend en zichtbaar beginsel en fundament van de eenheid, zowel van de bisschoppen als van de menigte van de gelovigen'.1 'De paus van Rome immers heeft, juist krachtens zijn ambt als plaatsvervanger van Christus en herder over de gehele kerk, de volledige, hoogste en universele macht, die hij altijd vrij kan uitoefenen'.2 |
| 883 | 'Het college of corps van bisschoppen heeft echter geen gezag, als men het niet beschouwt als verenigd met de paus, de opvolger van Petrus, als zijn hoofd'.1 Als zodanig is dit college 'ook subject van de hoogste en volledige macht over de hele kerk, een macht die echter niet zonder toestemming van de paus van Rome uitgeoefend kan worden'.2 |
| 884 | 'De macht over de gehele kerk oefent het bisschoppencollege op plechtige wijze uit in een oecumenisch concilie'.1 'Een oecumenisch concilie is nooit mogelijk, als het niet door de opvolger van Petrus als zodanig is bekrachtigd of tenminste aanvaard'.2 |
| 885 | 'Voor zover dit college uit velen is samengesteld, brengt het de verscheidenheid en de universaliteit van het volk van God tot uitdrukking, voor zover het verenigd is onder één hoofd, brengt het de eenheid van Christus' kudde tot uitdrukking'.1 |
| 886 1560 833 2448 | 'De afzonderlijke bisschoppen zijn echter het zichtbaar beginsel en fundament van de eenheid in hun particuliere kerken'.1 Als zodanig 'oefenen zij hun herderlijk gezag uit over dat gedeelte van het volk Gods dat hun is toevertrouwd'2 , hierin bijgestaan door priesters en diakens. Maar als lid van het college van bisschoppen deelt ieder van hen in de zorg voor alle kerken3 , een taak die zij allereerst uitoefenen door hun eigen kerk als deel van de universele kerk goed te besturen', en zo bij te dragen 'tot het welzijn van heel het mystieke lichaam, dat ook het lichaam is van de kerken'4 . Deze zorg dient zich in het bijzonder uit te strekken tot de armen5 , tot hen die om het geloof vervolgd worden, evenals tot de missionarissen die over heel de aarde werkzaam zijn. |
| 887 | De particuliere kerken die zich in elkaars nabijheid bevinden en een homogene cultuur hebben, vormen kerkprovincies of grotere eenheden die patriarchaten of regio's genoemd worden.1 De bisschoppen van deze eenheden kunnen zich verenigen in synodes of in provinciale concilies. 'Eveneens kunnen de bisschoppenconferenties tegenwoordig op vele manieren en vruchtbaar bijdragen tot de concrete verwezenlijking van de collegialiteit'.2 |
De taak om te onderrichten
| 888 2068 | De bisschoppen hebben, samen met hun medewerkers, de priesters, 'allereerst de taak om het evangelie van God aan allen te verkondigen'1 , overeenkomstig de opdracht van de Heer.2 Zij zijn 'de herauten van het geloof, die nieuwe leerlingen tot Christus brengen, zij zijn authentieke leraren' in het apostolisch geloof, 'd.w.z. met Christus' gezag bekleed'.3 |
| 889 93 | Om de kerk te behouden in de zuiverheid van het geloof dat door de apostelen overgeleverd is, heeft Christus, die de Waarheid is, gewild dat zijn kerk deel heeft aan zijn eigen onfeilbaarheid. Door de 'bovennatuurlijke geloofszin' hangt het volk van God 'het geloof onwankelbaar aan' onder leiding van het levend leergezag van de kerk.1 |
| 890 851 1785 | De zending van het leergezag is verbonden met het definitieve karakter van het verbond dat door God in Christus met zijn volk aangegaan is; dit leergezag moet het beschermen tegen afwijkingen en tekortkomingen en het de objectieve mogelijkheid geven zonder dwaling het authentieke geloof te belijden. De pastorale taak van het leergezag houdt derhalve onder meer in erop toe te zien dat het volk van God blijft in de waarheid die bevrijdt. Om dit dienstwerk te vervullen heeft Christus de herders begiftigd met het charisma van de onfeilbaarheid inzake geloof en zeden. Dit charisma kan op verschillende manieren uitgeoefend worden: |
| 891 | 'Deze onfeilbaarheid nu bezit de paus van Rome, hoofd van het college van bisschoppen, krachtens zijn ambt, wanneer hij als opperste herder en leraar van alle gelovigen, die zijn broeders in het geloof versterkt, de leer omtrent geloof en zeden in een definitieve uitspraak afkondigt (...). De aan de kerk beloofde onfeilbaarheid bezit ook het corps van bisschoppen, wanneer het samen met de opvolger van Petrus het opperste leergezag uitoefent', vooral in een oecumenisch concilie.1 Wanneer de kerk door middel van haar opperste leergezag iets voorhoudt 'als door God geopenbaard te geloven'2 en als leer van Christus, dan 'moet men met de gehoorzaamheid van het geloof dergelijke definities aanvaarden'.3 Deze onfeilbaarheid strekt zich uit over de hele geloofsschat zelf van de goddelijke openbaring.4 |
| 892 | Ook krijgen de opvolgers van de apostelen die in gemeenschap met de opvolger van Petrus optreden als leraren, en in het bijzonder de bisschop van Rome, de herder van heel de kerk, goddelijke bijstand geschonken, wanneer zij - zonder tot een onfeilbare definitie te komen en zonder zich in 'definitieve zin' uit te spreken - bij het uitoefenen van het gewoon leergezag een leer voorhouden die leidt tot een beter begrip van de openbaring inzake geloof en zeden. Met dit gewoon onderricht 'dienen de gelovigen met een godsdienstige geest in te stemmen'.1 Dit onderscheidt zich weliswaar van een instemming in geloof, maar ligt toch in het verlengde hiervan. |
De taak om te heiligen
| 893 1561 | De bisschop 'is ook de beheerder van de genade van het hogepriesterschap'1 , in het bijzonder in de eucharistie. Hij draagt de eucharistie zelf op of zorgt ervoor dat ze door de priesters, zijn medewerkers opgedragen wordt. Want de eucharistie is het middelpunt van het leven van de particuliere kerk. De bisschop en de priesters heiligen de kerk door hun gebed en hun werk, door het dienstwerk van het woord en de sacramenten. Zij heiligen haar door hun voorbeeld: 'speelt niet de baas over hen die aan uw zorgen zijn toevertrouwd, maar toont u een voorbeeld voor de kudde' {1 Petr. 5,3}. Zo 'bereiken zij met de kudde die hun is toevertrouwd, het eeuwige leven'.2 |
De taak om te besturen
| 894 801 | 'De bisschoppen besturen de hun toevertrouwde particuliere kerken als plaatsvervangers en afgezanten van Christus door hun raad, hun aansporingen, hun voorbeeld, maar ook door hun gezag en hun gewijde macht'1 , die zij echter moeten gebruiken om de gemeenschap op te bouwen in de geest van dienstbaarheid, eigen aan hun Meester.2 |
| 895 1558 | 'Deze macht die zij in de naam van Christus persoonlijk uitoefenen, is een eigen, gewone en rechtstreekse macht, al wordt de uitoefening hiervan in laatste instantie geregeld door het hoogste gezag van de kerk'.1 Maar men moet de bisschoppen niet beschouwen als plaatsvervangers van de paus, wiens gewoon en rechtstreeks gezag over heel de kerk hun gezag niet ongedaan maakt, maar integendeel het bevestigt en beschermt. Het moet uitgeoefend worden in gemeenschap met heel de kerk onder leiding van de paus. |
| 896 1550 | Bij de uitoefening van zijn pastorale taak, dient de bisschop het voorbeeld en 'het model' van de Goede Herder voor ogen te houden. Zich bewust van zijn zwakheden 'kan hij voor onwetenden en dwalenden toegeeflijk zijn. Hij mag niet weigeren te luisteren naar hen die onder hem gesteld zijn en die hij als zijn ware kinderen liefheeft (...). De gelovigen moeten echter met hun bisschop instemmen, zoals de kerk aan Jezus Christus en Jezus Christus aan zijn Vader'. |
| Volgt allen de bisschop, zoals Jezus Christus zijn Vader, en volgt allen het priestercollege als zijn apostelen; en eerbiedigt de diakens als Gods wet. Laat niemand iets van wat de kerk aangaat, buiten de bisschop om doen. |
Terug naar de inhoud | Terug bladeren | Vooruit bladeren



