DEEL 1: DE GELOOFSBELIJDENIS

TWEEDE SECTIE : DE BELIJDENIS VAN HET CHRISTELIJK GELOOF DE GELOOFSBELIJDENISSEN


TWEEDE HOOFDSTUK: Ik geloof in Jezus Christus, de enige Zoon van God

ARTIKEL 2: 'En in Jezus Christus, zijn enige zoon, onze Heer'
III. Eniggeboren Zoon van God
441

Zoon van God is in het Oude Testament een benaming die gegeven wordt aan de engelen1 , aan het uitverkoren volk2 , aan de kinderen van Israël3  en aan hun koningen.4  Deze naam duidt dan op een verwantschap door middel van aanname, die tussen God en zijn schepsel een bijzonder innige relatie tot stand brengt. Wanneer de beloofde koning-Messias 'Zoon van God'5  genoemd wordt, dan houdt dat overeenkomstig de letterlijke betekenis van deze teksten niet noodzakelijkerwijze in dat Hij meer dan menselijk is. Zij die Jezus zo als Messias van Israël hebben aangeduid, hebben misschien niet meer willen zeggen.6 
442

552
424
Dat geldt niet voor Petrus, wanneer hij Jezus belijdt als 'de Christus, de Zoon van de levende God' {Mt. 16,16}, want deze Jezus antwoordt hem op plechtige wijze: 'Niet vlees en bloed hebben u dit geopenbaard, maar mijn Vader die in de hemel is' {Mt. 16,17}. Dienovereenkomstig zal Paulus zeggen met betrekking tot zijn bekering op de weg naar Damascus: 'Maar toen Hij die mij vanaf mijn geboorte had uitgekozen en mij riep door zijn genade, besloot zijn Zoon aan mij te openbaren, opdat ik Hem onder de heidenvolken zou verkondigen (...)' {Gal. 1,15-16}. 'Terstond begon hij in de synagoge Jezus te prediken en zei: 'Deze is de zoon Gods` {Hand. 9,20}. Dit zal vanaf het begin1  het middelpunt zijn van het apostolisch geloof2 , dat allereerst door Petrus beleden is als het fundament van de kerk.3 
443

2786
Als Petrus het transcendente karakter van de goddelijke afstamming van Jezus de Messias heeft kunnen herkennen, dan komt dat omdat deze laatste dat duidelijk te verstaan heeft gegeven. Voor het sanhedrin heeft Jezus op de vraag van zijn aanklagers 'Gij zijt dus de Zoon van God?' geantwoord: 'Gij hebt het gezegd, dat ben ik' {Lc. 22,70}.1  Lang tevoren heeft Hij zichzelf al aangeduid als 'de Zoon' die de Vader kent2 , als iemand die zich onderscheidt van de 'dienaren' die God tevoren aan zijn volk gestuurd heeft3 , en als boven de engelen zelf verheven.4  Hij heeft een onderscheid gemaakt tussen zijn afstamming en die van zijn leerlingen door nooit te zeggen 'Onze Vader'5  behalve om hun op te dragen: 'Gij moet daarom zo bidden: Onze Vader' {Mt. 6,9}; en Hij heeft dit onderscheid onderstreept: 'Mijn Vader en uw Vader' {Joh. 20,17}.
444

536
554
De evangelies spreken bij gelegenheid van twee plechtige gebeurtenissen, het doopsel en de gedaanteverandering van Christus, over de stem van de Vader die Hem aanduidt als zijn 'welbeminde Zoon'.1  Jezus duidt zichzelf aan als 'de eniggeboren Zoon van God' {Joh. 3,16} en bevestigt daarmee zijn pre-existentie van eeuwigheid af.2  Hij vraagt geloof 'in de naam van de eniggeboren Zoon van God' {Joh. 3,18}. Deze christelijke belijdenis is al te horen in de uitroep van de honderdman die ten overstaan van Jezus post had gevat bij het kruis: 'Waarlijk, deze mens was Zoon van God' {Mc. 15,39}. Alleen in het paasmysterie kan de gelovige aan de benaming 'Zoon van God' haar uiteindelijke draagwijdte geven.
445

653
Na zijn verrijzenis komt Christus' goddelijke afstamming in de macht van zijn verheerlijkte menselijke natuur naar voren. 'Naar de heilige Geest is Hij aangewezen als Zoon van God door Gods machtige daad, door zijn opstanding uit de doden' {Rom. 1,4}.1  De apostelen zullen kunnen belijden: 'Wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, zulk een heerlijkheid als de Eniggeborene van de Vader ontvangt, vol genade en waarheid' {Joh. 1,14}.

Terug naar de inhoud | Terug bladeren | Vooruit bladeren