DEEL 1: DE GELOOFSBELIJDENIS

TWEEDE SECTIE : DE BELIJDENIS VAN HET CHRISTELIJK GELOOF DE GELOOFSBELIJDENISSEN


EERSTE HOOFDSTUK: Ik geloof in God de Vader

ARTIKEL 1: 'Ik geloof in God de almachtige vader, Schepper van hemel en aarde'
PARAGRAAF 7: De zondeval

IV. 'Gij hebt hem niet overgeleverd aan de macht van de dood'
410

55
707
1609
2568
675
Na zijn zondeval is de mens niet door God verlaten. Integendeel, God roept hem1  en kondigt hem op mysterieuze wijze aan dat het kwaad overwonnen zal worden en dat hij uit zijn zondeval opgericht zal worden.2  Deze passage in Genesis kreeg de naam 'proto-evangelie', omdat het de eerste aankondiging is van de Messias, de Verlosser, de aankondiging van een strijd tussen de slang 675 en de Vrouw en de uiteindelijke overwinning van een afstammeling van haar.
411

359
615
491
De christelijke overlevering ziet in deze passage een aankondiging van 'de nieuwe Adam'1  die door zijn 'gehoorzaamheid tot de dood aan het kruis' {Fil. 2,8} op overvloedige wijze de ongehoorzaamheid van Adam weer goedmaakt.2  Overigens herkennen talrijke Kerkvaders en kerkleraren in de in het 'protoevangelie' aangekondigde vrouw de moeder van Christus, Maria, als de 'nieuwe Eva'. Zij is het geweest die als eerste en op unieke wijze van de door Christus behaalde overwinning op de zonde geprofiteerd heeft: zij is gevrijwaard van elke smet van de erfzonde3 
Vgl. Pius IX; DS 2803
en gedurende heel haar aardse leven heeft zij door een bijzondere genade van God geen enkele zonde begaan.4 
Vgl. Conc. van Trente; DS 1573
412

310
395
272
1994
Maar waarom heeft God de eerste mens niet verhinderd te zondigen ? De heilige Leo de Grote geeft als antwoord: 'Door de onuitsprekelijke genade van Christus hebben wij een groter goed ontvangen dan wat wij door de afgunst van de demon verloren hadden'.1 
Serm 73,4. vert uit Lat.
En de heilige Thomas van Aquino zegt: 'Niets verzet zich ertegen dat de menselijke natuur na de zonde tot een hoger doel bestemd is. God laat immers toe dat er kwaad geschiedt om er een groter goed uit de doen ontstaan. Vandaar wordt er in Rom. 5,20 gezegd: 'Waar de zonde heeft gewoekerd, werd de genade mateloos'; bij het zegenen van de paaskaars wordt gezegd: 'Gelukkige schuld, waaraan wij de Verlosser danken!'.2 
S.Th. 3.1,3 ad. 3, vert. uit Lat.

Terug naar de inhoud | Terug bladeren | Vooruit bladeren