2e Zondag van Pasen (b) door pastoor Maickel Prasing
15 april 2012VERKONDIGING
In de viering op de 2e Zondag van Pasen (b)
H. H. Agatha en Barbara te Oudenbosch door pastoor Maickel PrasingSchriftlezingen:
Handelingen 4, 32-35
Johannes 5, 1-6
Johannes 20, 19-31
De verrijzenis van Jezus is het centrale, maar ook meest moeilijke gegeven in de christelijke traditie. Het moet voor de leerlingen van Jezus een indrukwekkende, bijzondere ervaring geweest
zijn: het lege graf en de ontmoeting met de Verrezene. Na de desillusie van Goede Vrijdag krijgen ze weer moed en kracht om vol vuur en begeestering te getuigen van de Blijde Boodschap. Die
ommekeer in hun leven vieren we aan het einde van de Paastijd, met Pinksteren. Tomas was er niet bij en hij geloofde de verhalen van zijn medeapostelen niet. Acht dagen later mag Tomas wel de
gekruisigde en verrezen Heer ontmoeten.
Het ongeloof en de twijfel van Tomas slaan om in een krachtige geloofsbelijdenis: ‘Mijn Heer en mijn God’.
En heeft Jezus niet zelf gezegd: ‘Alles wat je voor de minsten der mijnen hebt gedaan, heb je voor Mij gedaan’. In het gelaat van iedere hongerige, dorstige, naakte, zieke, gevangene, vreemdeling en treurende zie je Christus zelf. Als je met de ogen van geloof durft te kijken, kun je Christus volop ontmoeten. Daar waar liturgie, catechese en diaconie in de werken van barmhartigheid gebeuren, is de Verrezene in ons midden te zien. Als we een milieu van geloof weten te creëren, waar mensen zich veilig, geborgen en gedragen weten, is de Heer levend in ons midden. Door de eeuwen heen hebben velen, één in hart en ziel, in het voetspoor van de apostelen en de eerste christenen, zo in woord en daad getuigd van hun geloof en hun samen-kerk-zijn gestalte gegeven. Mijn vader was net als Tomas ook van ‘eerst zien en dan geloven’. Degenen die zojuist op de TV het geloofsgesprek gezien hebben, hoorden daar over zijn reactie op mijn verlangen priester te worden. Hij had geen hoge dunkt van de kerk en de geestelijkheid, die in zijn ogen, met name door de biechtpraktijk, een klimaat van angst en schuld hadden gecreëerd. Als dan je enige zoon priester wordt…. Gelukkig heeft hij in mijn studententijd en daarna in de parochies waar ik woonde en werkte ook een ander gezicht van de kerk leren kennen, in de mensen die daar getuigden van de goede geest die in hen leeft. Heel langzaam maar zeker draaide hij toch wat bij.
Toen hij op een dag in het ziekenhuis werd opgenomen, kruiste hij toch ‘RK’ op het intake-formulier aan. Toen hij een half jaar later weer geopereerd moest worden zij mijn zus: ‘We zullen een kaars voor je aansteken’. ‘Doe maar een hele grote’ was zijn antwoord. Tijdens de operatie is hij gestorven. In de uitvaartmis hebben we zijn ‘doe maar een grote kaars’ naast het ‘mijn Heer en mijn God’ van Tomas gelegd. Geloven kan twijfelend, tastend en zoekend, wat meer op afstand.
Geloven kan ook zeker en vastberaden, de komst van het Rijk Gods vast voor ogen. Moge het ook ons gegeven zijn de gekruisigde en verrezen Heer te zien in ons eigen leven en Hem door onze woorden en daden present te stellen, opdat velen daardoor mogen geloven en leven in zijn Naam!



