Bernard Haitink
‘Ik ben niet meer bang voor orkesten’
Bernard Haitink (80) geldt als een soeverein orkestleider. Als geen ander weet hij een orkest tot eenheid te smeden. Eerste Kerstdag staat hij voor het Koninklijk Concertgebouworkest in de Kerstmatinee.
‘Ik heb af en toe aanleg tot depressiviteit. Als ik het gevoel heb dat ik niet op de goede weg ben, ben ik niet de vrolijkste thuis.’
U bent niet zeker van uzelf?
‘Nee, dat is een van de moeilijke zaken in mijn leven. Ik ben altijd enorm onzeker geweest en misschien juist vanuit onzekerheid vaak verkeerde richtingen ingeslagen. Ik heb eigenlijk
helemaal geen dirigentenmentaliteit: ik ben eigenlijk een soort van anti-dirigent.’
Hij noemt het een ‘rare zaak’ dat hij –
Amsterdammer pur sang en drager van de penning van de stad Amsterdam – al zo lang weg is uit Amsterdam. Haitink woont met zijn vrouw Patricia alweer enkele jaren in Zwitserland in een
villa aan het Vierwoudstedenmeer in de buurt van Luzern, waar ik hem opzoek. ‘Ik ben eigenlijk geen mens voor steden, ik houd niet van steden. Te veel mensen, te lawaaierig. Het
vervelende is dat ik ze toch nodig heb, want in de steden wordt muziek gemaakt, daar heb je een centrum. Ik ben een soort kameleon, dat moet ik ook zijn. Ik heb lang in Londen gewoond en het
daar heel erg naar mijn zin gehad. De laatste vier jaar heb ik veel tijd doorgebracht in Chicago en ook daar heb ik me thuis gevoeld. In de afgelopen tien jaar dat ik in Boston was – niet
tien jaren achter elkaar, maar een maand hier en een maand daar –, heb ik mij ook daar thuis gevoeld. Als je dit rare beroep goed wilt doen, dan moet je ook een soort kameleon zijn. Maar
ik moet zeggen: de keren dat ik in Amsterdam terugkom en in de grote zaal van het Concertgebouw ben, is daar toch altijd die bijzondere sfeer, een feest der herkenning.’
Zijn opdracht als dirigent is altijd geweest om van een stel bijeengebrachte individuele musici in een orkest een eenheid te maken. Hij is altijd met ‘samen’ bezig. ‘Ik vind dat nog steeds heel fascinerend. Ik houd van orkesten, ik houd van musici, maar ik moet als dirigent in mijn gedachten ook altijd iets vooruit zijn in wat ik wil. Ik moet sturen en daarvoor heb ik bijvoorbeeld mijn handen nodig en dat is vaak uitputtend zat. De valkuil voor de meeste dirigenten is dat ze te veel praten. Sommige dirigenten zijn soms zo beperkt in hun fysieke uitingsmogelijkheid – hun handen, hun gezicht, hun hele lichaam – dat ze terugvallen op hun stem. Ik zeg ook altijd tegen jongere dirigenten: “Je kunt nog zulke mooie ideeën en filosofieën hebben, maar op de avond dat je je moet concentreren, kun je niet meer praten, dan moet het gebeuren. Je moet dan een instrument hebben waarmee je dat doet en dat zijn niet alleen je handen, je armen of je gezicht, maar dat is je hele persoonlijkheid!”’
Vertrouwen
Een paar maanden geleden onderging Haitink een rugoperatie die wonderwel slaagde. ‘Ik heb gelukkig heel weinig hoeven af te zeggen. Dat wilde ik ook niet. De laatste tijd vóór
die operatie moest ik zittend dirigeren. Ik kon niet meer staan en moest met een stok lopen. Gelukkig sta en loop ik weer, ik kan weer functioneren. Ik zal in deze periode misschien nog niet
vanuit al mijn cilinders even nauwgezet kunnen werken – een van mijn benen vergt nog een langere tijd van genezing –, maar ik ben in elk geval weer aanspreekbaar. Op Eerste Kerstdag
zal ik in elk geval de Kerstmatinee in het Concertgebouw kunnen dirigeren, maar ik zal niet langs de trap naar beneden komen. Ik loop via de zij-ingang naar het podium, maar dat is dan ook mijn
enige compromis. Ik zal staande dirigeren!’
Zijn voorganger bij het Koninklijk Concertgebouworkest (KCO),
Eduard van Beinum, was een van de eersten die het orkest artistiek democratiseerden. Hij gaf het orkest het gevoel dat hij respect voor hen had, hij voelde zich één onder allen.
Haitink: ‘Eén keer vertelde hij mij – ik was nog vreselijk jong – iets heel merkwaardigs. “Bernard, ik ben bang dat dit orkest na mijn dood niet meer te regeren is,
want ik heb ze zo verwend.” Dat was natuurlijk niet waar, want als Van Beinum het op zijn heupen kreeg, moest het orkest toch echt mee, of het wilde of niet. Van Beinum is een van de
eersten geweest die het orkest het gevoel gaven samen te musiceren. Ik heb dat toen niet zo beseft, maar het heeft een enorme invloed op mij gehad. Kijk, ik ben veel te jong begonnen en dat is
voor een dirigent altijd vreselijk moeilijk. Je hebt geen idee, zeker als je met zo’n toporkest geconfronteerd wordt, hoe je met die mensen moet omgaan. Ik zou het niet graag over willen
doen, maar ik heb wel iets geleerd in al die jaren. Ik heb een vertrouwen in het orkest opgebouwd. Ik heb ze vertrouwen gegeven en vanuit dat vertrouwen kunnen ze musiceren. Omgekeerd moet een
orkest respect hebben voor de man die ervoor staat. Het orkest voelt dat de dirigent naar een bepaalde lijn wil en dat het daarin begeleid wil worden. Ik heb enorm veel momenten van satisfactie
gekregen, van wat musici mij aanboden in een spel. Als dirigent moet je goed luisteren naar een orkest en niet alleen maar de muziek voordansen, zoals dat heet. Je moet niet je eigen goddelijke
weg proberen te volgen, maar luisteren naar wat een orkest je te bieden heeft.’
Slaagt u vaak in het creëren van eenheid?
‘Ik denk: nu wel. Ik heb het gevoel dat ik er inmiddels in slaag om een eenheid te krijgen tussen het orkest, de componist en mij. Daar gaat het om. Dat is me lang niet altijd gelukt en
dat is eigenlijk een van de redenen waarom ik nog steeds doorga. Het is bijna belachelijk als je op je tachtigste jaar nog vindt dat je nog steeds moet dirigeren. Het kan vreselijk lang duren
voordat een dirigent werkelijk intrinsieke ervaring begint te krijgen. Toen ik als jonge hond begon, had ik geen idee hoe het echt moest. Ik stootte, onbevredigd na een artistieke prestatie,
telkens mijn hoofd en werd door schade en schande iets wijzer. Dát houdt me nog steeds aan de gang. Ik ben niet meer bang voor orkesten. Als ik het podium op kom en ik hoor het orkest
stemmen, dan verheug ik mij op de samenwerking.’
Twijfelaar
‘Samen’ kan op enig moment niet meer werken: de houdbaarheidsdatum van een dirigent voor zijn orkest kan een keer verlopen. Van Haitink komen de woorden: ‘Als het gaat
schiften in een orkest, kun je doen wat je wilt maar dan werkt het niet meer.’ ‘Dat heb ik zelf ook ervaren en dat moet je accepteren. Dat is altijd het gevaar als je ergens te lang
bent. Ik stond achtentwintig jaar voor het Koninklijk Concertgebouworkest. Zo’n lange tijd gaf natuurlijk spanningen en daar hebben de leiding, een fractie uit het orkest en ikzelf niet
goed op gereageerd. Dan moet je ook gaan, want het heeft geen zin om te -blijven hangen. Na achtentwintig jaar is dat geen schande. Ik ben nu nog een half jaar als principal conductor
verbonden aan Chicago. Ik heb dat vier jaar gedaan als een overbrugging tussen het vertrek van mijn voorganger David Barenboim en de komst van de nieuwe music director Riccardo Muti. Ik
moet eerlijk zeggen dat mijn verblijf in Chicago onbetwist mijn gelukkigste tijd als symfonisch dirigent is geweest, omdat ik geen vervelende verantwoordelijk-heden had.’
U dirigeert vaak met een strenge blik. Draagt dat eraan bij om een orkest tot eenheid te brengen?
‘Ik vind het jammer dat deze blik overkomt als strengheid, het is voor mij meer concentratie. Ik ben door de jaren heen economischer geworden in mijn uitingsmogelijkheden. Ik trek minder
rare gezichten en maak minder extroverte bewegingen. “Met minder meer”, is eigenlijk mijn motto en dat ik daarbij weinig glimlach, vind ik jammer. Zo ben ik nou eenmaal. Ik ben ook
geen machtsfiguur, ik ben geen krachtfiguur. Ik ben een twijfelaar en vanuit die twijfel heb ik mensen vaak onzeker gemaakt. Zoiets is niet om tevreden over te zijn, maar dat is nu eenmaal een
aspect van mijn zijn, van mijn leven. Misschien heb ik dat nu iets meer onder de knie, maar een figuur van zelfvertrouwen ben ik niet. Ik vind het -leven een zeer fragiele
aangelegenheid.’
Overdonderend geloof
Hij zegt aan geen enkele religie gebonden te zijn, maar dat wil naar zijn idee niet zeggen dat hij geen levensbeschouwing heeft. Bij religieuze werken als Beethovens Missa solemnis of
Bachs Matthäuspassion -ervaart hij een overdonderend geloof waar hij zich uitermate klein bij zegt te voelen. ‘Bij Bach hoor je een heel vaststaand geloof. Nederland heeft een
enorm sterke Matthäuspassion-traditie, maar voor een heleboel -Nederlanders lijkt de Matthäus haast een verplichte kerkgang te zijn. Zonder de
Matthäuspassion gaat het gewoon niet, dat benauwt mij een beetje. Van een Matthäus die in een nauw stramien wordt gebracht, hou ik niet zo.’
Dierbaar
Hij toont mij een imposante verzameling brieven van befaamde componisten waarvan zijn vrouw hem er telkens één op zijn verjaardag cadeau geeft. ‘Het is een bijzonder mooie
verzameling geworden. Een brief van Debussy, die beweert dat hij niet genoeg repetitietijd heeft. Verscheidene brieven van Ravel. Hier een van Strauss die niet wil dirigeren en zegt dat hij in
België de stad Brugge wil bekijken. Een prachtig geschreven brief van Mendelssohn, die schrijft dat de stad Leipzig godzijdank weer van Rossini verlost is. “Rossini is
vertrokken.” Heel bijzonder allemaal. Dierbaar is mij zeker ook deze foto van mijn vrouw, gefotografeerd toen zij een feest voor mijn tachtigste verjaardag organiseerde. De foto is
gemaakt op de boot, want het feest heeft een paar dagen geduurd. Ze zit op de boeg. Ook bijzonder.’
Traditiegevoel
U dirigeert het KCO op Eerste Kerstdag tijdens de traditionele kerstmatinee. Kijkt u ernaar uit?
‘Dit kerstconcert is toevallig op mijn weg gekomen. Ik heb met dit orkest nogal veel kerstmatinees gegeven, het is zeker een traditie geworden. Mariss Jansons zou de matinee als
chef-dirigent dit jaar doen, maar hij vroeg de leiding om dit jaar te passen vanwege gezondheidsredenen en omdat zijn agenda zo vol zat. De leiding heeft mij toen gevraagd of ik er eens over
wilde nadenken. Ze dachten misschien: dat doet hij nooit! Maar ik doe het juist wel, vanuit een oud traditiegevoel. Het zal misschien de laatste keer zijn, dat vind ik toch wel aardig.’


