Gerrit Komrij



‘Ik heb te weinig vijanden gemaakt’

Polemist, literaire provocateur, maar vooral een virtuoos schrijver. Dichter Gerrit Komrij (65) laat vanuit Portugal aan de lopende band bloemlezingen en proza uit zijn pen vloeien. Dit jaar heeft hij de tekst voor Het Groot Dictee der Nederlandse Taal geschreven. Een gesprek in het Portugese Vila Pouca da Beira, waar de letterkundige sinds 1988 met zijn partner woont.

U leidt een getormenteerd bestaan?
‘Een beetje gekweld is meer in de richting. Ik voeg eraan toe: het ergste wat mij kan overkomen, is dat mensen zouden denken dat ik daaronder lijd. In het geheel niet! Het leven van naar de bakker gaan is niet interessant. Ik heb het over het leven in de literatuur. In het literaire leven zijn begrippen als waardigheid, gevoel en emotie totaal andere begrippen dan in de werkelijke wereld. In de literatuur zijn dat eigenlijk flutbegrippen. Op zich is in de literatuur niet van -belang of datgene wat je zegt ook is wat je voelt, en of datgene wat je zegt ook is wat waar en controleerbaar is.’

De dichter, columnist, essayist, voormalig Dichter des Vaderlands en P.C. Hooftprijswinnaar (1993) Gerrit Komrij voelt zich een slachtoffer van de buitenwereld waartegen hij naar eigen zeggen een al bij voorbaat verloren bokswedstrijd speelt. Ooit zei hij het zo: ‘Ik wil niet zijn waar ik heen ga, maar ik wil ook niet blijven waar ik ben.’ ‘U ziet,’ zegt de gelauwerde poëet nu, ‘de verpletterende eerlijkheid zoals ik die aan u betoon, vergt dat die werkelijkheid steeds weer opnieuw alles van je eist om tegen het leven te kunnen.’ De literatuur bleek voor hem een middel om zijn geestelijke onafhankelijkheid te bewaren. ‘Het was -zeker niet mijn droom om, zoals veel schrijvers dat hebben, aanbeden te worden.’

Hij noemt zich bij voorkeur feuilletonist. ‘Ik ben een ongesubsidieerd schrijver die met schrijven zijn geld moet verdienen.’

U hebt als feuilletonist wel veel vijanden gemaakt!
‘Niet genoeg, vrees ik. Ik kan weliswaar wel tweeduizend kilometer van Nederland af zitten, maar Nederland blijft een kleine literaire wereld. Als je kritisch over iemand bent, gaan mensen het als een eer -beschouwen om zichzelf te redden in dat literaire kippenhok. Ze roepen: “Komrij heeft helemaal gelijk, ik ben trots dat ik door hem beledigd word.” Dat -mechanisme is een enorme teleurstelling voor me -geweest. Ik heb te weinig vijanden gemaakt.’

U houdt ook van pesten?
‘Ja. Ik heb jaren voor een linkse krant gewerkt en daar werd ik uit gegooid omdat ik te rechts was. Ik heb ook altijd de neiging om, als ik voor rechtse bladen schrijf, weer een linkser geluid te laten horen. Puur om te pesten.’

Slappe zakken
Zijn thema’s zijn verval, vergankelijkheid, de sterfelijkheid en de dood. ‘Ja, waar moet je het dan over hebben? Je hoeft je ogen maar open te zetten en je ziet een wereld voor je die krampachtig probeert het verval tegen te houden. Zodra iets is, valt het uit elkaar. De ouderdom, de sterfelijkheid en de ziekte beginnen al op de tweede dag na je geboorte. Daar ben ik in geïnteresseerd. Ik ben geïnteresseerd in de maan en de wolven en niet in hamsters en het zonnetje.’ Zijn landhuis in Vila Pouca da Beira omvat meer dan 50.000 boeken. Hebzucht is hier het motief dat hem naar zijn zeggen drijft. ‘Ik houd van het kijken naar boeken, het boek als object om vast te houden, hoe het ruikt. Boeken hebben daarbij het voordeel dat ze hun mond houden en dat ze alleen maar wat zeggen als je dat er zelf uit wilt halen.’

Uw poëzie heeft iets negentiende-eeuws: strak van vorm, bijna altijd berijmd, dat is ook wat u wilt?
‘Toen ik in de jaren zestig begon te dichten, waren de Vijftigers nog een beetje op hun roem aan het voortsudderen. De epigonen en de derde-rangmensen uit die stroming voerden het hoogste woord. Het enige wat je kon doen, was je ertegen verzetten. Dat zit in mijn aard, om het anders te doen en vooral die niet-rijmende, associatieve, quasi-experimentele poëzie op de hak te nemen. Vinkenoog, Elburg, Schierbeek en Polet kauwden na wat allang gebeurd was. -Alles wat je wilde, was iets anders dan wat die slappe zakken wilden. En waarmee kon je ze beter pesten dan door weer eens andere uitingsvormen uit de kast te halen en daarmee te experimenteren? Ikzelf rijm maar wat raak, ik ben toch altijd gewoon een kind gebleven.’

Nergenshuizen
Ooit zou op zijn grafzerk komen te staan: ‘Hier ligt Gerrit Komrij, ik denk dat ik omrij.’ Geldt die tekst anno 2009 nog steeds? ‘Dat grafschrift vond ik grappig, omdat het een volrijm was. Het kerkhof ligt hiernaast en ik kan er nog een tijd over nadenken wat ik in mijn steen het liefst kort en krachtig zal beitelen. Misschien zelfs nog de laatste dag voor mijn dood, eigenhandig. Portugezen willen in hun geboortegrond begraven worden. Dus als ze in Parijs doodgaan, gaat de kist boven op de auto en dan rijden ze heel Europa door op weg naar het kerkhof. Ik zou wel graag begraven willen worden op de plek waar ik overlijd. Als ik in Nederland ben, in Nederland en als ik hier ben, hier. Als ik toevallig op een eiland in de Stille Zuidzee van een vakantie geniet, dan mogen ze me ook op die Stille Zuidzee laten.’

Bent u mogelijk nergens thuis?
‘Nergenshuizen staat in mijn pseudoniem als geboorteplaats. Je bent ergens en je wilt weten: “Hoor ik hierbij, hoor ik hier niet bij?” Om uiteindelijk vast te stellen dat je in je eentje bij niemand hoort, behalve bij jezelf. Dat is toch wel hard, maar in die fase bevind ik mij intussen. Dat is bitter. Je kunt dat alleen maar voelen als je het zelf hebt meegemaakt.’

Zijn levensbeschouwing is naar zijn zeggen – voor wat betreft officiële godsdiensten – geheel absent. ‘Iedereen beschouwt het leven. Ik heb ooit het Boekenweekessay Niet te geloven geschreven. Ik geloof een klein beetje in literatuur en in kunst en ik geloof dat een mens in staat is om door prachtige dingen die hij kan maken, boven zichzelf uit te stijgen. Het respect daarvoor zie je steeds verder verminderen. De politiek en de kerken zijn al helemaal niet geïnteresseerd in hoe iemand boven zich uit kan stijgen. Ik ben natuurlijk wel geïnteresseerd in de vraag waarom mensen willen geloven. Hoe komt het toch dat, zodra twee of drie mensen bijeenkomen, er meteen een bron van geloof ontspringt? Er wordt weleens gezegd dat mensen die in niets geloven een ellendig leven hebben en een ellendige dood zullen sterven! Nou, vergeet het maar. Die mensen zijn van een heleboel getob bevrijd en zij zijn zeer gelukkig. Dat neemt niet weg dat godsdienst een fascinerend fenomeen blijft.’

U spreekt nu bijvoorbeeld met een rooms-katholiek.
‘Ik ben al mijn hele leven met mijn vriend die katholiek is opgegroeid en ook nog een priesteropleiding heeft gevolgd. Ik weet hoe moeilijk het is, elke dag weer, om daar de wasem en de wolken van weg te slaan en om daartegen te vechten. Ik bedoel: je kunt wel katholiek zijn, maar je kunt er toch ook tegen vechten!’

Succesnummer
Hij spreekt mooi gedragen achttiende-eeuws met een hoogst eigen keelklank. Van de hoge octaaf in zijn stemgeluid zegt hij zich niet bewust te zijn. ‘Ik heb een heel simpele stem, als een op de duizenden. Ik weet wel dat er parodisten zijn die mijn stem nadoen, een professie die op feestjes geregeld tot succesnummers leidt.’ Komrij zegt te beseffen dat de tijd begint te dringen, terwijl hij ‘nog voor zestig jaren werk voorhanden heeft’. ‘Je merkt dat je niet meer zo veel tijd vóór je hebt als de tijd die achter je ligt. Ik wil mijn werk wel zo veel mogelijk af hebben.’

Wat moet minstens af?
‘De geschiedenis van de Nederlandse literatuur van de laatste honderd jaar moet vóór het komende half jaar af zijn, alsook de roman De tempel van Diana. In het voorjaar verschijnen m’n nieuwe bloemlezing De 21ste eeuw in driehonderd gedichten en de essaybundel Morgen heten we allemaal Ali. Maar ja, een mens kan maar één ding tegelijk, zodat je veel tot alles laat liggen. Je kunt het niet simultaan doen.’

Femme fatale
Hij toont mij een in leer gebonden deeltje van de gesprekken van Eckermann met Goethe, dat hij vanaf zijn vijftiende in bezit heeft en tot zijn veertigste overal mee naartoe sleepte. ‘Het lijkt een beetje op een brevier, het voelt ook lekker aan. Die gesprekken van Eckermann met Goethe hebben mij altijd buitengewoon geboeid. Het is een boek waarin je op elke pagina kunt beginnen en niet van het begin tot het eind hoeft te lezen. Je kunt het altijd lezen op verlaten stations of in eenzame cafés. Dit boekje is honderdmaal de wereld rond geweest en de tekst is me buitengewoon dierbaar. Dit boek voelt ook alsof je met een lekker, zacht, duur washandje met ijskoud water over je gezicht gaat. Als je je eventjes niet goed voelt, vormen die gesprekken van Eckermann met Goethe iets fantastisch, omdat twee absoluut verschillende werelden een toneelstuk tegen elkaar zitten op te voeren. Dit boek is nog steeds een bron van inspiratie voor mij. En dit is een heel oud blikken sigarettendoosje uit de jaren twintig, dat ik ook al heel lang heb en dat ik vroeger altijd op werktafels voor me zette. Het was dan het enige wat ik daar had staan, terwijl ik niet eens wist dat ik ernaar zat te kijken. Dit doosje met het beeld van deze femme fatale met die maan en die Turkse sigaretten en die minaretten op de achtergrond heeft in mij toch minstens één gedicht getriggerd.’

Spreektaal
Het
Groot Dictee der Nederlandse Taal beleeft dit jaar zijn twintigste editie. Komrij heeft de tekst ervoor geschreven. Heeft hij het de deelnemers moeilijk gemaakt? ‘Ik wilde het dit jaar eens heel anders doen. De laatste jaren leek er een soort tendens te bestaan om maar moeilijke woorden te vinden en de mensen daarin te laten trappen. De Nederlandse taal is er trouwens door al die spellingswijzigingen niet gemakkelijker op geworden. Ik wilde gewoon een dictee schrijven met woorden die alle mensen gebruiken die zich capabel achten aan zo’n dictee mee te doen, dus gewone spreektaal. Toen ik dit -dictee inleverde, hoorde ik veertien dagen later van de mensen die daarover gaan dat ik zelf achttien fouten had.’