Remco Campert



‘Schrijver worden was helemaal mijn ambitie niet’

Dichter-schrijver en P.C. Hooftprijswinnaar (1976) Remco Campert werd dit jaar 80. Met Gerrit Kouwenaar en Sybren Polet behoort hij tot de nog levende iconen van de dichtersgeneratie De Vijftigers. In gezelschap van Jan ­Mulder en Bart Chabot toert hij door Nederland met de voorstelling Tot zoens.

‘Ik heb een tijd gedacht: ik geef geen interviews meer. Iedereen weet alles al over me van wat ik wil prijsgeven. Ik ben genoeg geïnterviewd. Wat heeft het nog voor zin? Het heeft veel meer zin om gedichten of een verhaal te schrijven.’

U bent tot rijper inzicht gekomen?
‘Voor u heb ik nu een uitzondering gemaakt, maar u bent hier in huis wel de laatste.’

Ik ben de laatste in de rij?
‘Nou ja, dat denk ik nu, maar dat dacht ik vóór u ook al en toch bent u nu hier. Enfin, er valt met mij te praten.’

Remco Campert werd afgelopen zomer tachtig jaar. Hij meent dat de geest bij hem nog aardig doordraaft, maar het fysieke ongemak neemt toe. ‘Ik besef dat het einde van je leven vroeger in feite even dichtbij was dan dat het nu is. Ik heb ook niet het idee dat ik moet opschieten, want straks ben je dood en dan heb je niets gedaan wat je nog had willen doen. Ik werk nu net zoals ik vroeger werkte. Ik werk gestaag door, dat wel.’ Zijn proza typt hij nog altijd op een ouderwetse schrijfmachine. ‘Zo lang ik het vol kan houden, blijf ik op die schrijfmachine typen. Ik schrijf mijn gedichten bijna altijd met een pen en het proza met de schrijfmachine. Dat ben ik nu al zestig jaar zo gewend. Je komt er moeilijk meer vanaf.’

Als kind was hij al vroeg verweesd. Zijn ouders – de dichter/verzetsman Jan Campert en de actrice Joekie Broedelet – waren na een kortstondig huwelijk gescheiden. Zijn vader kwam in 1943 in het concentratiekamp Neuengamme om het leven. ‘Toen ik drie was, gingen ze uit elkaar. Ik ben een halve wees.’ Over zijn vader, de dichter van het beroemde verzetsgedicht ‘De achttien dooden’, zweeg hij tot 2004. ‘Ik heb hem weleens genoemd in een gedicht, maar verder niet. Toen ik in 2004 samen met Jan Mulder een uitnodiging van de CPNB kreeg om een boekje te schrijven over familie, bedacht ik om alles op te schrijven wat ik mij van mijn vader kon herinneren. Eerder kwam het gewoon niet aan de orde.’

Geen rooie rotcent
Ik lees hem een tekst voor die nog niet zo lang geleden uit zijn pen vloeide. ‘Mijn mening kan van dag tot dag verschillen. […] In mijn boeken en gedichten geef ik veel van mijzelf prijs, maar zelfs tegen mijn beste vrienden vind ik het lastig om mij uit te spreken.’

Blijkbaar wilt u iets voor uzelf houden, een buffer tussen u en de verwarrende werkelijkheid?
‘Het enig belangrijke in mijn leven is, behalve vrouw en kinderen uiteraard, dat ik me op mijn werk weet te richten.’

Voor iemand die zich regelmatig afvroeg of hij later wel in zijn levensonderhoud zou kunnen voorzien en die na de oorlog niet heeft kunnen studeren, is Campert naar eigen zeggen toch redelijk goed terechtgekomen. ‘Ik wist met achttien jaar totaal niet dat ik schrijver zou worden. Dat was ook helemaal niet mijn ambitie. Ik dacht: als schrijver verdien je geen rooie rotcent. Ik ben er ook min of meer ingerold, begon met gedichtjes te schrijven en een enkel kort verhaaltje en opeens merkte ik: Ja, ik schijn schrijver te zijn! Oké, dan bén ik ook schrijver.’

In 1950 richtte hij met generatiegenoot Rudy Kousbroek het tijdschrift Braak op, dat een platvorm werd voor de experimentele dichtergroep De Vijftigers. ‘Wij waren deel van de generatie die na de oorlog besloot anders te gaan schrijven dan er tot dan toe geschreven werd. Er was een Tweede Wereldoorlog geweest en die vroeg om een andere manier van schrijven, vonden wij. Deze start was heel belangrijk, omdat ik direct in contact kwam met allerlei andere dichters die van dezelfde ideeën bezield waren. Lucebert, Bert Schierbeek, Elburg, we zagen elkaar elke dag. We waren onderling zeer verschillende personen, ook in ons schrijven. Kouwenaar is een heel andere dichter geworden dan ik ben, om over Lucebert maar niet te spreken. We gingen allemaal een andere kant uit, maar er was één stevige basis. We hadden bovendien ook echt het geluk dat we tezamen met de schilders Appel, Corneille, Constant – met toch een mannetje of tien, twaalf – één generatie vormden. Dat kwam niet zo vaak voor.’

U wordt zelf vergeleken met een slijtvast tapijt.
‘Ja, je moet het natuurlijk wel goed stofzuigen.’

Wassen pop
Remco Campert werd naast dichter en prozaïst bij een groot publiek in de jaren zestig en zeventig ook bekend als de chroniqueur van zijn tijd. Zijn roman Het leven is vurrukkulluk staat nog steeds op de literatuurlijsten van middelbare scholieren en wordt nog altijd herdrukt. Van 1996 tot 2006 schreef hij, samen met Jan Mulder, korte columns voor de Volkskrant onder de titel CaMu. Campert is de meester van de relativering. ‘Elke schrijver tracht zo nauwkeurig mogelijk te schrijven. Ik heb vanuit mijn aard een ietwat lichtere toon.’ Zeker niet luchtig was de column die hij schreef op de dag in 2004 dat Theo van Gogh werd vermoord. Campert schreef: ‘Ik vind dat iemand die ooit schreef: “Wat ruikt het hier naar karamel, vandaag verbranden ze alleen suikerzieke Joden”, niet als held van de vrije meningsuiting de geschiedenis in mag gaan.’ ‘Ja, dat vind ik nog steeds, arme Theo overigens.

U schreef toen dwars tegen de stroom in.
‘Ik dacht: ik moet principieel zijn, ik moet zeggen wat ik ervan vind. Ook denkend aan Theo, die nooit een blad voor zijn mond nam als het om overledenen ging die hij had meegemaakt. Ik kende Theo ook wel enigszins. Hij kwam hier weleens langs. Hij was een ontzettend leuke, hartelijke, grappige jongen eigenlijk, maar ik hoorde niet tot het Van Gogh-circuit.’

Ik noem hem de naam van Simon Vinkenoog. ‘Simon ontmoette ik voor het eerst in Parijs in 1949. Wij gingen met z’n allen naar Parijs en logeerden bij Simon, want niemand had een huis. Simon had daar toen een niet onbelangrijke positie bij de Unesco. Ik heb hem daar goed leren kennen en we zijn vrienden geworden. Hij was een ontzettend leuke man, hij had ook alles en hij wíst ook alles. Simon heeft een ander pad in zijn leven gekozen dan ik ambieerde. Hij was in de tijd van al die lsd-experimenten. We zagen elkaar regelmatig, vooral bij begrafenissen, zoals bij die van Hugo Claus in Antwerpen. Ik waardeerde Simon altijd enorm en vond het treurig om hem bij zijn eigen begrafenis in dat kerkhofje aan de rand van Amsterdam te zien liggen als een soort -wassen pop.’

Chocolade
Hij toont mij een mal van Mickey Mouse, die hij ontdekte op een markt in Noord-Frankrijk. ‘Deze vorm komt oorspronkelijk uit een bakkerij. Het is een Mickey Mouse-mal waar chocolade omheen gemaakt werd. Ik sleepte hem overal mee naartoe waar ik zoal gewoond heb. Zelfs in ons vakantiehuis indertijd in Noord-Frankrijk, want ik mocht Mickey niet alleen laten. En dit is de omslag van Nieuwe herinneringen, mijn laatste gedichtenbundel uit 2007. Op het omslag staat een aquarel die ik begin jaren vijftig in Parijs gemaakt heb. Ik vind dit behoorlijk goed.’

Heerlijk moment
Na achttien jaar is Remco Campert opnieuw de planken opgegaan, in een literair theaterprogramma met Jan Mulder en Bart Chabot, getiteld Tot zoens. ‘Ja, achttien jaar geleden deden Jan, Bart en ik dat al met veel plezier. Nu doen we het met z’n drieën met onverminderd genoegen. Ik had weer zin in het theater. Ik hou van dat soort onmogelijke gebouwen waar je als artiest continu in verdwaalt als je achter het toneel bent. Het spannendste moment vind ik als je tussen de coulissen staat en wacht tot je aan de beurt bent. De anderen zijn bezig en je weet: nu kom ik, ja, nu ga ik! Dat is een heerlijk moment. Dat is zo tonelerig, ik vind dat heel erg prettig.’

Daar hebt u enige uren in de file staan voor over?
‘Er staat een limousine tot mijn beschikking. Ik word gereden, maar we staan vaak stil.’

Het worden ‘voorleesavonden op niveau’ genoemd.
‘Wij zijn geen cabaretiers. Ik ben gewoon een eerzame voorlezer. Ik banjer niet heen en weer op het toneel en trek evenmin leuke koppen. Ik moet echt achter een lessenaartje staan met een lampje op de tekst die ik voorlees, want anders red ik het niet. Ik lees stukjes voor, columns uit de kranten, allemaal al eertijds geschreven stukken die succes blijken te oogsten. Het is echt om te lachen.’

Maar u hebt ook sterk moralistische trekjes in u?
‘Er zijn bepaalde fatsoensnormen die je een beetje bij moet houden. Je mag mensen niet schofterig behandelen. Er bestaat momenteel een soort columnisme dat altijd erg tekeer gaat tegen andere mensen. Daar hoor ik niet bij. Ik vind dat niet netjes.’

Dagboek
Kerkelijk valt hij nergens in te schalen, al was zijn familie zeker tot het eind van de negentiende eeuw nog stevig protestants-christelijk. ‘Daarna is er de klad ingekomen. Zelf ben ik iemand die, zolang ik me ervan bewust ben dat ik leef, bij het heden leef. Als dat heden ooit is afgelopen, dan is het ook met mij afgelopen.’ Memoires schrijven overweegt hij niet. ‘Ik schrijf liever fictie. Ik besteed de energie die ik nog altijd heb voor het schrijven, aan dingen die ik bedenk en die bij voorkeur het dichtst tegen mijn eigen leven aanliggen. Veelal komen er elementen uit mijn eigen leven in voor. Bovendien, voor een deel vormt mijn poëzie al een groot deel van mijn memoires. Ik kan mijn poëzie bijna lezen als een soort dagboek van mezelf. Nee, ik ben nu bezig een bundel korte verhalen af te maken en dan is er een roman waar ik verder aan wil. Dat werk heeft een tijdje stilgelegen, omdat die verhalen zich opeens opdrongen. Ik heb nu drie hoofdstukken af.’

Bij het vertrek uit zijn huis in Oud-Zuid memoreer ik dat ik wellicht de laatste interviewer ben die de trappen van Camperts huis afdaalt. De schrijver houdt voor toekomstige verzoeken een klein deurtje open. ‘Niets is onmogelijk. Het zal bij mij thuis niet meer gebeuren, maar wellicht op het Centraal Station of zo, een andere plek.’