Govert van Brakel



'Weg met al dat nikserige gepraat!'

Govert van Brakel (59), presentator van het Radio 1-Journaal, heeft afscheid genomen van de radio. Als radioman een generalist, die ook nog eens wekelijks als sportfan aanschoof bij Langs de Lijn. Een gesprek met een radiodier.

‘Mijn vrouw zegt, nu ik bijna zestig ben: “Je bent toch altijd The man with the child in his eyes.” Ik kan daar niets aan doen, het zit in me: ik heb doorgaans een opgewekt karakter. Ik ben geen chagrijn of pessimist. Ik houd wel van grappen en grollen, zelfs in ons serieuze werk, dus ik probeer die er met mate in te voegen.’

Hij is ‘van Scheveningen’, 1949, van achter de duinen, bij de Scheveningse gevangenis. Zijn journalistieke coming-out beleefde hij in april 1976, toen hij op Hilversum 3 het zaterdagvoetbal mocht verslaan voor het NCRV-programma De sportshow. ‘Ik mocht invallen, maar wist niets van zaterdagvoetbal. Ik moest vragen wie in welke kleuren speelde en wie wie was. Ik kwam nadien bij de sportverslaggeving van de NOS, waar in die tijd grote radiostemmen – en soms even grote ego’s – aan kleefden als Dick van Rijn en Wim Hoogendoorn.’ Van Brakel verbreedde bij de radio al snel zijn journalistieke horizon. ‘Mij maakte het in feite niet zo veel uit of het sport was of politiek of economie, als ik maar op de radio kon vertellen wat er aan de hand was. Ik had elke kans gegrepen op elk terrein. Het was toevallig de sport. De NOS vroeg me, nadat ze mij bij de NCRV gehoord hadden. Ik was natuurlijk uitermate gevleid: hét sportprogramma van de Nederlandse radio vraagt of jij een van hun voetbalverslaggevers wilt worden. In dat keurkorps zaten mannen als Theo Koomen, Heinze Bakker, Chris van Leeuwen, Joop Niezen, Evert ten Napel, Eddy Poelmann en Jack van Gelder. Zij vroegen de jongeheer Van Brakel om mee te doen. Ik was vereerd, gespannen, maar dolgelukkig. Willem Ruis kondigde mij in Langs de lijn aan. Ik dacht: hé, ik word nu aangekondigd door de man naar wie ik altijd luisterde en bij wie ik dacht: als ik dát eens zou mogen bereiken! Ik was toen wel even trots op mijzelf.’

Hij maakte menig sporthoogtepunt mee: Olympische Spelen, Europa Cup-finales, de nationale voetbalcompetitie en de Tour de France. ‘Al die evenementen ben ik langs geweest. Mag aan het rijtje de Elfstedentocht worden toegevoegd? ’85, ’86, ’97, dat waren wel evenementen waar je u tegen zei. Zag ik als klein ventje Reinier Paping in 1963 finishen in de sneeuwstorm in Leeuwarden, nu stond ik zelf aan de Bonkevaart in 1985, op de plek waar Paping tweeëntwintig jaar eerder gefinisht was. Ik stond er met een microfoon in mijn handen. Grandioos.’

Omvallen
Zelf noemt hij zijn werk bij voorkeur een uit de hand gelopen hobby waar een vast salaris tegenover staat. ‘Ik heb binnen de omroep echt alle kansen gekregen. Er zat natuurlijk wel een prestatie achter, niet alleen van mij, maar van een complete redactie. Eén verkeerde zin van mij, één verkeerde opmerking of een verkeerde grap kan betekenen dat ik het werk van anderen verpruts. Er zijn wel onderwerpen de vernieling in gegaan, doordat ik net niet alert genoeg was of die dag gewoon geen zin had. Dat kan ook zomaar.’

Als presentator wist Van Brakel dat de eerste zin bij het aankondigen van een nieuwsonderwerp altijd een voltreffer moest zijn. ‘En dat schept verplichtingen. Ik heb een hekel aan verslaggevers of presentatoren die hardop denken met domme zinnetjes als: “Nou, dat is nog niet bekend”, “Dat klopt inderdaad” of “Dat mag je wel zeggen.” Waarom begint een verslaggever niet met een volzin als: “Bij de poort van Dirk Scheringa valt weinig te zien, geen Scheringa, geen werknemers en geen geld.” Dán heb je als luisteraar iets helders in handen. Weg met al dat nikserige gepraat!’

Is er veel nikserig gepraat?
‘Kijk naar wat je hoort, wat er in je oren dringt op radio en televisie. “Omvallen” is ook zo’n modewoord. Er vallen tegenwoordig banken om. Zeg gewoon: “Het is onzeker of deze bank failliet gaat.” Maar ik heb me aan alles wat ik nu zeg zelf natuurlijk ook schuldig gemaakt.’

Improviseren is voor jou telkens een hoogtepunt.

‘Voor een presentator van dienst is er niets mooier dan een onverwacht groot nieuwsfeit te mogen brengen. Je bent dan helemaal van jezelf afhankelijk. Er moeten dan bij mij in het hoofd laatjes open die onbekend waren of niet eerder tevoorschijn waren gekomen. Dan ga je naar de punt van je stoel, dan kan elke voorbereiding van een bureauredacteur je niet meer helpen. Het is dus prettig als je over enige kennis beschikt van dingen die zich voordoen. Als een paus of iemand van het Koninklijk Huis doodgaat, kan ik vooruit; als er een minister onverwacht aftreedt, weet ik ook wat ik doen moet. Daarmee ben ik, denk ik, wel een volwaardige presentator. Je moet als journalist een onbeperkte belangstelling hebben.’

Pepermunt
Hij behoort tot de vrijzinnige tak van de vroegere evangelisch-lutherse kerk, tegenwoordig onderdeel van de Protestantse Kerk in Nederland PKN. In het geval van Van Brakel mag je gerust spreken van een lutherse rompstand. Zijn moeder nam hem mee naar de lutherse Burgwalkerk, waar Feike Asma, naar zijn zeggen, met een harde aanslag op het orgel ramde. ‘Ja, ik ben PKN’er geworden, dat is mij overkomen. Ik heb zelf zeker nog een kerkse inslag, die gaat er nooit uit, dat is de opvoeding die ik heb meegekregen. Zoiets tikt een leven lang door.’ Niettemin is hij tamelijk jaloers op katholieken. Zijn vrouw – eerder gescheiden en rooms-katholiek – wilde met Van Brakel hertrouwen in de kerk. ‘Door de toenmalige pastoor in Den Haag werd zij uitgemaakt voor zondares. Hoe haalde ze het in haar hoofd? Dát was de slechte kant van de medaille. Toen gingen wij naar deken Geraerds van Den Haag, een jezuïet van het Aloysius College. Hij zei: “Allemaal flauwekul. Wij gaan dat gewoon met elkaar organiseren. Blijf maar even een paar weken bij mij langskomen, ik trouw jullie samen met de lutherse dominee.” Ik bewonder de katholieken vooral om hun mogelijkheid om het geloof uiterlijk te maken. Wij zijn thuis heel erg opgevoed met de harde protestantse kerkbanken en de pepermunt. In de katholieke kerk wordt geknield, worden kaarsen opgestoken voor dierbare overledenen, daar is beweging! Dat heeft me altijd aangetrokken.’

Eén vlag
Ruim veertien jaar presenteerde je het ‘Radio 1-Journaal’. Is het een succes geworden?

‘Ik denk het wel. Het succes zit hem in de idee dat je nu 24 uur per dag, zeven dagen in de week via één brede nieuwsorganisatie die altijd bemand is, het nieuws kunt volgen.’

De oorspronkelijke omroepen die voorheen met hun eigen stijl en invalshoeken actualiteiten maakten, hoor je niet meer. Het ‘Radio 1-Journaal’ is wel erg een eenheidsworst geworden.
‘Daar heb je gelijk in. De kleuren zijn zo her en der wat verfletst.’

Je hoort nu in het ‘Radio 1-Journaal’ rubrieken als ‘Ranking the news’, en er is een dagelijkse nieuwsquiz.
‘De zender wil beluisterd worden, de zender wil – -typisch een term van deze tijd – een stevig marktaandeel, want hoe meer luisteraars, hoe meer advertenties. Je moet vooruit! Op zich vind ik een nieuws-quiz, met de nadruk op nieuws, niet zo gek. Je moet soms ook de oren een beetje teasen en niet altijd maar volgooien met de ernstige dingen des levens. Wij hebben een functie van uitleggen, toelichten en verklaren, zonder in wijsneuzerige zinnen te vervallen. Ik vind dat wij er eerder voor moeten waken als boodschappers van het nieuws niet te veel kleuring aan te brengen. Je moet daar heel prudent en terughoudend mee omgaan. Als ik bij ons hoor zeggen dat de heer Scheringa namens zijn DSB-Bank “een veelzeggende verklaring” heeft uitgegeven, dan denk ik: jongens, gaan wij niet een stap te ver door het woord “veelzeggend” in te voegen? De radio moet laten horen dat hij erbij is. Wij zijn erbij, ook in Wognum. En dat is mooi voor de luisteraar, die weet: ik blijf op deze zender, want als er wat is, staan ze wel op de goede plek.’

Over de toekomst van ons omroepbestel is hij onzeker. ‘Er komen nieuwe omroepen, waardoor er elders ingekrompen moet worden in zendtijd. Voor Radio 1 is de rigoureuze oplossing een zender die, net als Radio 2 en 3 FM, onder beheer van de NOS staat en die strak gestructureerd is qua vorm en inhoud, met herkenbare presentatoren en herkenbare onderwerpen. De uiterste consequentie is dat de NOS het in feite in de breedte overneemt. En tegen de KRO, de NCRV en de VPRO moet je zeggen: “U bent wel hoorbaar op deze zender, maar in een format dat wij met elkaar gaan bepalen. Wij hangen daar één vlag bij, die van de NOS.”’

Heerlijke zomervakanties
Hij toont mij een oude Sennheiser-microfoon waar wij vroeger mee werkten ten behoeve van interviews en reportages. ‘Het is een prachtige microfoon. Als je hem in je vingers pakt, moet je echt je hand er volledig omheen klemmen, met een mooie vierkanten kop en zo’n gegoten gaasje erbovenop. Ik ben zuinig op dit exemplaar; hij ligt bij ons thuis in de kast.’ Het beeldje van Bartje (de hoofdpersoon uit het boek van Anne de Vries) is voor hem het symbool van heerlijke zomervakanties in zijn jeugd bij zijn oom en tante in Drenthe. ‘Het beeldje verwijst naar een onbezorgde jeugd, met lange vergezichten en onbeperkte tijd die nog in zeeën voor mij lag. Dat krimpt nu. De vergezichten zijn weg maar Bartje is er nog.’

Uitfaden
Hij neemt afscheid op het hoogtepunt van zijn journalistieke kunnen. Van Brakel weet dat ze eigenlijk zouden willen dat hij nog even bleef. ‘Maar over twee jaar zeggen ze misschien: “Zou u er niet eens over denken om wat meer in de begeleiding van jonge collega’s te gaan doen?” Ik bedoel: ik wil niet langzaam uitgefaded worden, zoals dat bij de radio bij muziekstaartjes heet. Ik ga weg bij de NOS, maar ik houd niet echt op met werken. Ik zal in de toekomst invallen bij omroep MAX op Radio 5. Ik doe ook nog wat in de opleiding. Bij de NCRV heb ik in dat opzicht strenge leermeesters gehad als Noortje van Oostveen en Piet van Tellingen. Nieuws was belangrijk en wij waren daar als boodschapper ondergeschikt aan. Wij hoorden dat nieuws netjes en accuraat, conform de feiten te melden. De luisteraar maakt zijn oordeel. Zo werkt dat. Eigenlijk nog steeds.’