Kees Verkade
‘Elke dag is het ploeteren,maar ik ploeter met plezier’
De geboren Haarlemmer Kees Verkade is verreweg Nederlands bekendste beeldhouwer. Op 1 oktober opende premier Balkenende de expositie Kees Verkade ‘50 jaar
mens in beeld’.
U houwt beelden?
‘Ik hóúw niet. Ik heb gips gegoten, geboetseerd, ik heb gehákt, maar mijn ideeën kan ik het best in was verwezenlijken. Ik doe dat veel liever dan drie of vier weken
in een stuk steen hakken. Ik bouw liever op dan dat ik afpel.’
Beeldend kunstenaar Kees Verkade (67) zit vijftig jaar in het vak.
Zijn vader – directeur van een kapokmatrassenfabriek in Amsterdam – had graag gezien dat zoon Kees in de zaak kwam, maar Verkade wilde liever scheppen. Anno 2009 geldt hij als
één van Nederlands bekendste beeldhouwers, ook al woont hij al jaren in Monaco. In Nederland én Monaco staan bijzondere beelden van Verkade: koningin Wilhelmina op de boulevard
van Noordwijk, de schrijver Simon Carmiggelt op het Weteringplantsoen in Amsterdam, prinses Gracia in de rozentuin van het Koninklijk Paleis in Monaco, Wim Sonnevelds Nikkelen Nelis voor de
Wisseloord Studio’s in Hilversum én – dit voorjaar onthuld – de beeltenis van koningin Juliana en prins Bernhard in de tuin van paleis Soestdijk, ter herinnering aan hun
67-jarig verblijf daar.
Beatrix
‘Ik vul elke nieuwe dag in met iets waar ik waanzinnig veel plezier in heb.’ Hij werkt als een monnik, deze Kees Verkade. Hij staat met regelmaat om 6 uur ’s ochtends op om in
zijn atelier aan de slag te gaan. Ooit kwam hij, in opleiding als beeldhouwer, de Rietveldacademie niet eens binnen. Hij begon in Zandvoort in een uiterst klein kamertje waar de wind door de
kieren klom. En hij wist er zijn beeldjes te verkopen om de 5 gulden huur voor zijn onbewoonbaar verklaarde woning te betalen. Inmiddels verkoopt hij héél veel werk en sleept hij
menige opdracht binnen, bijvoorbeeld van koningshuizen. De opdracht voor het beeld van koningin Juliana en prins Bernhard – zwaaiend op het bordes van paleis Soestdijk – ervoer hij
als uiterst eervol. ‘Juliana en Bernhard moesten precies zó staan zoals zij indertijd ook op dat bordes stonden. Ik moest dus onderzoek doen en liep toevallig in Utrecht de vroegere
chauffeur van prins Bernhard tegen het lijf. Die wist heel goed hoe Bernhard keek. Ik hoorde hem dan zeggen: “Nee, Bernhard had er vijf, geen vier!” En dan ging het over de plooien
naast zijn lachogen. Koningin Beatrix – een collegabeeldhouwster – bleek bij de onthulling van het beeld zéér tevreden met het resultaat. Om mij heen zei men: “Nou,
dan mag je je handjes dichtknijpen! Als de koningin zeer tevreden is, meent ze dat ook.”’
Het kan immers een risico inhouden om een beeld te ontwerpen waarvan de feitelijke opdrachtgever tot dezelfde beroepsgroep als u hoort?
‘Bij de opdrachten die ik normaal gesproken krijg om portretten of bustes te maken, haal ik op het laatst de familie erbij. Ik zeg dan: “Zeg me maar of het jullie vader, moeder,
broer of zus is.” Bij Juliana en Bernhard kon dat dus niet.’
U verwacht meer opdrachten van het Koninklijk Huis?
‘Nee hoor, helemaal niet. Maar mocht het binnen afzienbare tijd om de prinsesjes gaan, dan moet ik eerst klei bijbestellen, want we hebben het inmiddels over een stuk of vijf, zes.’
Kunt u makkelijk afscheid nemen van de beelden die u maakt?
‘Ja! De emotie die bij zo’n beeld hoort, heb ik op het moment dat ik het maak. Op het moment dat ik de opdracht tot een goed resultaat heb gebracht en mijn omgeving er gelukkig mee
is, kan ik het makkelijk van mij af zetten. Alles wat ik maak bén ik op dat moment. Het komt wel voor dat ik beeldjes van jaren geleden van mij terugzie waar ik toen voor de volle honderd
procent achter stond, maar waar ik nu van denk: jéémig, hoe héb ik het zo durven laten? Ik heb ook weleens tijdens een tentoonstelling gehad dat er een mevrouw naar mij toe kwam
en zei: “U bent de beeldhouwer Kees Verkade? Nou, ik hou helemáál niet van uw werk!” Ik vond dat zo ontzettend eerlijk, ik heb er ook smakelijk om moeten lachen. Ik vroeg:
“U moet mij toch wel even vertellen waarom dat zo is.” Ze zei: “Uw beelden staan nooit stil!” Toen zei ik: “Nou, dan zijn we er. Ik ben dat helemaal met u
eens.”’
Te eigenzinnig
Simon Carmiggelt, Frits Philips, Jos Brink, Johnny Jordaan, André van Duin: hij heeft van allemaal hun beeltenis gemaakt. Op zijn lijstje staat nog steeds Joseph Luns. ‘De kop van
die man had ik graag willen maken. Wellicht is het daarvoor nu te laat. Hij is al een tijdje overleden. Kort geleden werd mij gevraagd om Jelle Zijlstra te doen, ook een geweldig mooie kop.
Jammer genoeg is dat niet doorgegaan. Frits Philips wilde trouwens niet tijdens zijn leven. De man is uiteindelijk 100 geworden, maar al tijdens zijn leven was sprake van een beeld dat ik zou
maken. Hij vond het prima, maar wél na zijn dood.’ En in Monaco staat dat bijzondere beeld van de overleden prinses Gracia. ‘Ja, ze verongelukte in 1982. Toen ik de opdracht
kreeg kwam haar echtgenoot prins Rainier praktisch elke dag kijken, want hij wilde dat ik het beeld ín het paleis maakte zodat niemand het tijdens het proces kon zien. Er werd ter ere van
haar nagedachtenis een rozentuin gecreëerd, want ze was helemaal gek met rozen. Als ik nu in de buurt van het paleis ben, ga ik altijd eventjes voorzichtig langs.’
Nederlandse musea hebben weinig van u.
‘Niet veel, nee. Ik weet niet hoe dat komt. Misschien ben ik wel te eigenzinnig voor ze. Ik werk in Nederland ook eigenlijk maar met één galerie samen. Ik heb me ook nooit
willen binden aan een galerie.’
Sommigen vinden u te commercieel.
‘Ik ben niet commercieel! Ik kan van mijn werk leven, dat wel. En wat is er nu mooier dan dat je van je eigen vak kunt leven en je niet gebonden bent aan één galerie of museum.
Ik ben ook geen Monegask, ik ben één van de 35.000 ingezetenen van Monaco. Ik ben hier in Monaco ook absoluut geen lid van de Nederlandse club, ik ben nergens lid van. Negenennegentig
procent van de uitnodigingen gaat hier de prullenbak in. Monaco is voor mijn werk een geweldige plek, omdat de hele internationale gemeenschap hier komt, maar als je op twee of drie van die
party’s bent geweest, dan heb je ze allemaal wel gehad.’
Stuiteren
Ooit schiep hij twee bronzen nonnetjes voor de Mariastichting in Haarlem. Hun strakke habijten waren prachtig gegoten. ‘Ik liet die nonnetjes naar dat nieuwe gebouw van de Mariastichting
naar boven kijken met zo’n verbaasde blik van: godallemachtig, wat gaat híér nu gebeuren, dat wij dit nog mogen meemaken! Je moet dan goed kijken hoe zo’n habijt er van
buiten uitziet als ze zo’n handgebaar naar boven maken. Hoe valt dan zo’n habijt?’ Met levensbeschouwing is hij niet direct bezig. ‘Noem Hem Allah, noem Hem
weet-ik-veel, ik kan alleen maar dankbaar naar Hem zijn dat Hij mij dingen laat maken waar ik voor de volle honderd procent achter sta. Ik heb in mijn atelier mijn eigen altaar en elke keer als
ik iets begin, ga ik mijn dierbaren even langs: mijn ouders, mijn vrouw, prins Rainier, prinses Gracia, mijn kinderen uit mijn eerste huwelijk en de dochter die wij samen uit ons tweede
huwelijk hebben, en nog een aantal mensen. Ik kijk ze even aan en ik vraag ze, noem het, hulp. Voor mij is dat een basis om op verder te stuiteren, om mee te beginnen. En als het resultaat goed
is, dan ga ik ze weer langs, om te danken. Ik heb gisteren – en ik meen dit oprecht! – mijn ouders nog toegeschreeuwd: “Laat eens iets van je horen!” Maar dat gebeurt
dus niet. Laat mij dus maar gewoon werken, dát is mijn geloof, en daar voel ik mij prettig bij.’
Hij toont de bijzondere manchetknopen die hij van zijn zoon kreeg die edelsmid is. In de manchetknopen zijn twee roodborstjes vervat, een vingerwijzing naar de roodborstjes die Verkade al jaren spaart. Een beeld van een vermoeide Johannes Paulus met een crucifix op de schouder verwijst naar deze door Verkade bewonderde paus. ‘Voor deze paus zou ik nog bijna katholiek zijn geworden.’
Goede doelen
Begin oktober wordt in Den Haag door premier Balkenende bij de bank Insinger de Beaufort een bijzondere expositie van het werk van Kees Verkade geopend. ‘Het is dan vijftig jaar geleden
dat ik in Den Haag op de Academie begon. Ik houd een masterclass waar we met een aantal leerlingen de kop van Paul van Vliet gaan doen. Het publiek bepaalt welke de mooiste kop is en die wordt
dan in de Koninklijke Schouwburg in Den Haag geplaatst. Op die expositie wordt veel werk uit privécollecties getoond. Ik heb daarvoor veel en ver gezocht om werk uit de jaren 60 tot en met
de jaren 90 te kunnen tonen. Aan het begin van de tentoonstelling komt een klein overzichtje en daarna volgt een grotere zaal met werk dat ook te koop is. Misschien is dat het wat mij door
galeries of musea niet in dank wordt afgenomen. Maar bedenk: ik geef dertig procent van de verkoop aan een lokaal doel of aan het Rode Kruis of de aidsbestrijding, doelen waar je aan moet
blijven geven. Als ik een tentoonstelling in Drachten heb, ga ik eerst naar de burgemeester en vraag hem wat zijn gemeente nodig heeft voor een tehuis voor ouden van dagen of voor een
kinderspeelplaats. Dáár doen we het dan voor.’
Uw kunstenaarsleven bestaat in uw geval uit materie bedwingen. U gaat telkens een wedstrijd aan.
‘Ja, met mijzelf. De materie ken ik, die spartelt niet tegen. Ik heb inmiddels vijftig jaar ervaring achter mij liggen met dat materiaal. Zoals voor een schrijver zijn pen zijn materiaal
is, is dat voor mij was om dingen neer te zetten. Akkoord, elke dag is het ploeteren, maar ik ploeter met plezier. Dat meen ik oprecht. Ik ben nu 67, dus ik heb nog een aantal jaren. Ik hoop
dat ik het uit mag zitten met een sigaretje. En áls het dan mijn tijd is, laat mij dan maar gaan. Dan verlaat ik deze wereld met een smile op mijn -gezicht. Want plezier op deze wereld heb
ik in ieder geval wel gehad.’


