Ab Osterhaus



‘Veel mensen zien mij als een doemprofeet’

Bij elke virusuitbraak wordt professor Ab Osterhaus (61) om advies gevraagd. Ook nu de Mexicaanse griep de wereld in zijn greep heeft, is de internationaal befaamde viroloog een terugkerende gast in talkshows. Een gesprek met een gedreven wetenschapper, die altijd onderweg is.

Heeft u in uw vak de top bereikt?
‘Wat is de top? Ik ben wel een eind gekomen.’

U beweegt zich vanwege uw strakke weekschema bij voorkeur vliegend voort. Vandaag Genève, overmorgen Bangkok, dan Hanoi. Bent u weleens thuis?
‘Ik probeer in het weekend thuis te zijn. Het lukt niet altijd, maar ik doe mijn best.’

U heeft een relatie?
‘Ja, maar het is vrij lastig. Eenderde van de tijd ben ik op reis, eenderde werk ik me te pletter en in de uren die overblijven, werk ik nog steeds vrij hard. Er blijft niet zo gek veel tijd over.’

En dan moet u er nog zin in hebben!
‘Ja, inderdaad.’

In Nederlands bekendste viroloog Ab Osterhaus school oorspronkelijk een gepassioneerd voetballer. Op school in Amsterdam stond hij bekend als de koning van het klieren en keetschoppen. ‘Mijn broer en ik zijn een pain in the ass geweest van menig leraar. In die jaren had je gigantisch grote klassen en de leraren konden ongelooflijk slecht orde houden. Ik kijk er nu niet heel erg trots op terug.’
Zijn studie diergeneeskunde koos hij vooral omdat hij dacht voor medicijnen aanmerkelijk harder te moeten studeren. Als viroloog leerde hij Nederland een nieuw woord: pandemie, een wereldwijde uitbraak van een ziekte. ‘Ik waarschuw al vijftien jaar voor opkomende pandemieën. Pandemiëen kunnen ernstige gevolgen hebben, zoals bij de uitbraak van de vogelpest. Zo’n virus kan tot een wereldwijde uitbraak leiden. Doordat we die problemen met de vogelinfluenza hebben gezien, zijn we ons gaan voorbereiden. In Nederland lopen we behoorlijk voorop wat betreft het voorbereid zijn op een pandemie.’

Osterhaus werkte zestien jaar bij het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu in Bilthoven (RIVM). In 1993 werd hij hoogleraar virologie aan de Erasmusuniversiteit in Rotterdam. Zijn carrière wordt schitterend genoemd. ‘Ik heb heel leuke dingen gedaan.’ Tijdens zijn studie diergeneeskunde leerde hij dat de mens in feite niet anders is dan een andere diersoort en dezelfde kwalen en ziekten kan krijgen.

Bent u niet ooit begonnen met de vink?
‘Mijn eerste ontdekking was een wrattenvirus van een vink. Ik zie je denken: hoe kan een mens dáár nu voor warmlopen? Zo’n wrattenvirus zit aan de poten van een vink en veroorzaakt een vorm van wratten zoals we die bij mensen kennen. Ik toonde aan dat het een heel nieuw virus was dat nog niemand gezien had.’
Anno 2009 is de missie van Osterhaus het voorkomen van infectieziekten bij mens en dier. ‘Ik zet systemen op waardoor je virusinfecties snel kunt opsporen en diagnosticeren. Daarnaast houd ik mij ook bezig met het maken van bestrijdingsmogelijkheden, zoals antivirale middelen en vaccins.’ Ten tijde van de identificatie van het SARS-virus in 2003 bouwde hij een gezaghebbende naam op in de virologenwereld. ‘Ons team bewees in een experiment bij apen dat het SARS-coronavirus de oorzaak was van de nieuwe ziekte. Binnen twee à drie maanden was het probleem opgelost.’

Doemprofeet
Ab Osterhaus adviseert regelmatig over risico’s bij potentiële uitbraken. Bij de gekke koeienziekte BSE, alweer zo’n vijftien jaar geleden, werd hij zwaar bekritiseerd vanwege de ernstige risico’s die hij zag opdoemen. ‘Ik kreeg het absoluut niet verkocht. Het zou een ziekte van runderen zijn, het had niets met mensen te maken. Iets soortgelijks speelde met de vogelpest en nu in feite ook weer. Ik ben al vijftien jaar bezig aandacht te vragen voor de gevolgen van een pandemische griep die nu aan de gang is. Het is van het grootste belang je daar goed tegen te wapenen. In 1918 gingen er zo’n vijftig miljoen mensen dood aan de Spaanse griep. Dat zou zo maar weer kunnen gebeuren.’

Een virus kan exploderen?
‘Als het Mexicaanse griepvirus rondgaat, kan er van alles gebeuren. Je huis kun je verzekeren tegen brand en in Nederland verhogen we met z’n allen onze dijken een meter, omdat we bang zijn dat het water naar ons toe komt. Gelukkig doet Nederland het goed: goede surveillance, het opslaan van antivirale middelen en het inkopen van vaccins. We geven per Nederlander momenteel een kleine honderd euro aan voorzorg uit. Dat is geen geld als je bedenkt wat er mis kan gaan. Het vervelende is alleen: hoe meer je erop hamert, hoe meer je als doemprofeet wordt gezien. Er zijn een aantal deskundigen die roepen: “We hebben die vaccins helemaal niet nodig.” Als er straks wereldwijd mensen op grote schaal overlijden, heeft Nederland zijn verantwoordelijkheid in elk geval genomen. Een aantal Europese landen heeft soortgelijk gehandeld, maar het overgrote deel niet. Als het fout gaat, kom je voor een situatie te staan dat die landen geen vaccin zullen krijgen voor juni volgend jaar.’

U bent een groot voorstander van preventieve maatregelen.
‘Absoluut! Mijn grootvader overleed in 1923 in Amsterdam aan tuberculose. In die tijd ging vijftig procent van de mensen dood aan een infectieziekte als tuberculose. We waren pas rond de jaren 50 in staat om dat uit te bannen, met de komst van hygienische maatregelen en antibiotica. Maar wie mocht denken dat we nu compleet immuun zijn tegen infectieziekten: dat is absoluut niet het geval.’

Geloofsbreuk
Het rooms-katholieke geloof van zijn jeugd heeft hij naar zijn eigen zeggen vaarwel gezegd. ‘Ik ben misdienaar geweest in de Heilige Drie-eenheidparochie in Amsterdam. Ik heb een warm bad gehad, maar de manier waarop de leiding van de kerk het katholieke geloof nu vormgeeft, is mij een brug te ver. Ik heb mijn kinderen niet laten dopen. Ik taal er ook niet meer naar. Als ik zie hoeveel misstanden er in die kerk plaatsvinden, wil ik er liever niet bijhoren.’

Uw broer Igno is pastoor van dezelfde parochie in Amsterdam-West waar u ooit gedoopt bent.
‘Ja, hij heeft een groot deel van zijn leven gevaren en werd pas op latere leeftijd priester. Een late roeping. Ik praat sporadisch met hem over het geloof. Hij heeft wel mijn huis in Griekenland ingewijd.’

Hoe zit het eigenlijk met de oplossing van het hiv-virus?
‘Dat virus is in het begin van de jaren 80 ontdekt als de veroorzaker van een nieuwe ziekte bij de mens. We dachten eerst dat het een homoziekte was, maar dat blijkt dus helemaal zo niet te zijn. Op het ogenblik gaan er in de wereld nog zo’n tweeënhalf miljoen mensen per jaar dood aan aids, ondanks de antivirale middelen die we inmiddels hebben. Zo’n zestig procent van de mensen die met hiv leven, heeft geen toegang tot dit soort medicijnen en gaat dus nog steeds dood aan aids. Het navrante is dat er 25 jaar geleden - toen het virus werd ontdekt - nog een aantal verlichte geesten was dat zei: “We hebben net het pokkenvirus uitgeroeid, nu gaan we hetzelfde doen voor het aidsvirus.” We zijn ruim 25 jaar verder en nog helemaal niks opgeschoten. Een van de grootste echecs van de moderne virologie is dat we nog steeds geen vaccin tegen hiv hebben. Het geeft enerzijds aan hoe slim die virussen zijn, maar aan de andere kant geeft het ook aan dat we er onvoldoende met slimme ideeën tegenaan zijn gegaan.’

Ambitieus
Ondertussen wil Osterhaus in zijn vak wel de beste zijn. ‘De beste? Ik wil goed werk afleveren. In feite wil je dan ook de beste zijn, omdat je vaak ziet dat andere mensen niet het allerbeste werk afleveren.’

U bent toch buitengewoon ambitieus?
‘Dat is zo. Waar dat vandaan komt, weet ik eigenlijk niet. Als je zelf ambitieus bent en als je de stok wilt doorgeven aan een nieuwe generatie, moet je proberen om je te omringen met mensen die minstens van hetzelfde kaliber zijn. Je ziet veel mensen nét niet tot de hoogste regionen doordringen, omdat ze mensen aantrekken die uiteindelijk minder goed zijn dan zij zelf. Mijn principe is altijd: probeer mensen binnen te halen die beter zijn dan je zelf bent.’

Wetenschap is een keihard vak?
‘Het is niet anders dan de journalistiek, denk ik. Het heeft inderdaad te maken met de eerste willen zijn, het mooiste verhaal willen maken. Het heeft te maken met ambitie, de beste willen zijn.’

Onverwoestbaar
Hij toont zijn bruine tas, die hij overal naartoe meedraagt. ‘Ik heb hem een jaar of wat geleden gekocht bij een schoenmakertje in Athene. Zo’n winkeltje achteraf, waar zo’n mannetje echt heel ambachtelijk die tas in elkaar zat te timmeren. Ik zei tegen hem: “Ik wil wel zo’n tas, maar hij moet heel erg sterk zijn.” Hij heeft die tas toen helemaal vol met klinknageltjes geslagen; dat ding is onverwoestbaar. In vergelijking met al die dure merktassen is dit ding met geen stok kapot te krijgen. In die tas zit mijn computer, die ik overal mee naartoe neem. Het is gewoon een heerlijk ding. Als je, zoals ik, over de wereld reist en je moet ergens een voordracht houden en je hebt niet genoeg tijd om überhaupt iets voor te bereiden, maar je zit wel zes tot tien uur in een vliegtuig, kun je die tijd nuttig besteden met de laptop. Dit is een attribuut waarvan ik twintig jaar geleden niet had durven dromen dat ik ermee vergroeid zou raken.’

Mensen zijn dieren
Voor iemand die constant met de diersoort bezig is, ligt een associatie van de mens met het dier voor de hand. ‘Wij zijn gewoon dieren. Aspirant-dokters die ik op de universiteit vertel dat veel infecties bij mensen van dieren afkomstig zijn, hebben grote aarzeling bij het idee dat de mens wezenlijk een diersoort is. Of liever: door God gezonden, in complete isolatie. Het is nu Darwinjaar: de mens stamt echt uit die hele evolutie en daarbij horen ook die virusinfecties, die vanuit de dierenwereld naar de mens toekomen. Alle echt belangrijke nieuwe menselijke virusinfecties komen steeds weer uit die dierenwereld. Mensen zijn just another animal species.’
Denkt u nooit eens bij uzelf: ‘Oppassen, voor je het weet heb je zelf een virus te pakken?
‘Wij zijn zo goed getraind dat dat onmogelijk is. We gebruiken mondkapjes, handschoenen en werken in speciale ruimtes. Ik loop minder risico door een virus geïnfecteerd te raken dan de gemiddelde Nederlander.’