Job Cohen
‘De oorlog is heel belangrijk geweest voor mijn ontwikkeling’
Hij is sinds 2001 burgemeester van Amsterdam. Zijn core-business is de boel bij elkaar houden. Op 4 mei spreekt Job Cohen (61) op de Dam tijdens de Nationale
Dodenherdenking.
Hij geldt in zijn stad als de ‘boel-bij-mekaar-houder’. Samenbindend wil Cohen in de hoofdstad met 177 nationaliteiten beslist zijn, en hij oogst daar ook ruimschoots waardering voor. Zelf noemt Cohen zich een humanist in de stad van Spinoza. ‘Ik ben niet-joods opgevoed, ben ook niet religieus, maar tegelijkertijd ben ik Joods, zo zít dat nu eenmaal met het Jodendom. Ik heb dat mijn hele leven zo ondervonden en ik voel me daar wel bij. Het humanisme zoekt zijn basis in mensen en dat spreekt mij aan. Dat zit dus niet in iets hogers. Want dat hogere, dat heb ik dus nooit kunnen vinden.’
Ik ontmoet Cohen nogal eens bij uitvaarten van illustere Amsterdammers
als majoor Alida Bosshardt en pater Jan van Kilsdonk. Ook dan is Cohen aan het herdenken. ‘Zij waren stuk voor stuk zeer bijzondere mensen. Als burgemeester van Amsterdam was het
onvermijdelijk om af en toe pater Van Kilsdonk of de majoor tegen te komen.’ Cohens aanwezigheid bij uitvaarten maakt hem niet persé religieuzer. ‘Kerkelijke uitvaarten ervaar
ik wanneer ze passen binnen een traditie altijd als een stuk gemakkelijker dan uitvaarten zonder zo’n traditie. Ik kom als burgemeester ook onvermijdelijk in crematoria en daar kost het
mij altijd moeite er iets van te maken wat kan wedijveren met tradities die al zo veel eeuwen bestaan. Zo’n uitvaart van pater Jan van Kilsdonk, juni vorig jaar, vond ik bijvoorbeeld zeer
Jan van Kilsdonk! Die plechtigheid paste ook enorm bij hem. Aan de ene kant was hij heel trouw gebleven aan het geloof en aan de andere kant was hij erin geslaagd om er zijn geheel eigen
dimensie aan te geven.’
In Amsterdam vindt sinds 1945 de Nationale Dodenherdenking op de Dam plaats. Wat is anno 2009 de betekenis van deze herdenking?
‘Het is in de eerste plaats echt hét herdenken. Het is het je opnieuw realiseren dat er mensen zijn geweest die tegenover het gruwelijkste onrecht in de oorlog het hoogste offer
brachten: hun leven. Het is in onze tijd onverkort belangrijk om daarbij stil te staan. Tegelijkertijd is het ook alweer zo lang geleden. Ik ben van 1947, dus van na de oorlog. Maar ik ben dus
wel over de zestig. De mensen die de oorlog hebben meegemaakt, zijn steeds minder in tal en dat maakt dat de herdenking van karakter verandert.’
Hoe?
‘Het vanzelfsprekende van de Dodenherdenking staat ter discussie. 4 mei ís die twee minuten stilte, want dat is de oorlog die ooit zo nabij was. Die ligt steeds verder weg en
dús kost het ook steeds meer moeite om die herdenking z’n plaats te laten houden.’
Is deze herdenking in deze vorm nog lang vol te houden?
‘Ja! Je moet dit blijven doen, ook moet je hard zoeken om de herdenking relevant te houden. We hebben in Amsterdam wel onderzoek gedaan naar het 4- en-5-meigevoel. Het interessante is:
die 4de mei “staat” bij ons als een huis, en ook in het land doen er heel veel mensen aan mee. Die twee minuten stilte zijn toch een markeringspunt voor veel mensen. Op de Dam en op
al die andere herdenkingsplaatsen in de stad en in het land is het op 4 mei altijd vol. Het is veel moeilijker om aan 5 mei een goede invulling te geven dan aan 4 mei. We hebben ten aanzien van
4 mei in toenemende mate ook te maken met veteranen uit andere oorlogen met Nederlandse betrokkenheid. Nu is dat natuurlijk Afghanistan, maar daar is ook Irak, en Bosnië. Al die veteranen
krijgen een steeds belangrijkere plaats in onze samenleving, volkomen terecht.’
Sommigen vinden dat 4 mei nadrukkelijk gereserveerd moet blijven voor de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog. Voor andere oorlogen, zoals in Bosnië of Afghanistan, zou een
andere, aparte herdenking moeten komen.
‘We hebben gelukkig de afgelopen jaren een speciale veteranendag gekregen en daar besteden wij in Amsterdam ook veel aandacht aan. Ik heb mij daar ook zelf sterk voor gemaakt. Ik weet
niet of je die 4de mei louter moet “reserveren” voor de Tweede -Wereldoorlog. Naarmate ’40-’45 langer geleden is, ben ik er niet op tegen om de nationale herdenking te
verbreden.’
Hoe ondergaat u zo’n herdenking op de Dam -eigenlijk zelf?
‘Gek genoeg ben ik bij de voorafgaande bijeenkomst in De Nieuwe Kerk nog nooit geweest. Wij hebben hier de afspraak dat de burgemeester meeloopt met de stille tocht door Amsterdam, die
van 19.00 uur tot 19.45 uur is. Daarna sluit ik mij aan op de Dam. Ik ben waarachtig opgegroeid met die Tweede Wereldoorlog, al was het maar omdat mijn vader Dolf Cohen onderdirecteur van het
Instituut voor Oorlogsdocumentatie was. Wij hebben thuis heel veel over die oorlog gepraat. Mijn grootouders van vaderszijde zijn in Bergen-Belsen omgekomen, mijn ouders hebben ondergedoken
gezeten. Die oorlog is voor mijn ontwikkeling heel belangrijk geweest. Bij die twee minuten stilte zijn dat altijd dingen die door mij heen gaan. En er is nóg iets: ik herinner mij nog
heel goed de eerste keer dat ik als burgemeester mee mocht lopen in de stoet op de Dam. Ik vond het toch wel zeer bijzonder dat ik daar als burgemeester in mee mocht lopen, en bovendien het
woord mocht voeren. Je voelt je dan toch wel een zeer bevoorrecht mens, want het zijn maar heel weinig mensen die die mogelijkheid hebben.’
Het grote verdriet
Cohen is in Amsterdam aanwezig bij vele herdenkingen rond de Tweede Wereldoorlog: de Auschwitz-herdenking in het Wertheimpark, de herdenking van de Februaristaking, Yom Hashua, specifiek voor
de Joodse slachtoffers. ‘Het herdenkingenseizoen begint altijd eind januari. Elke keer zijn het weer belangrijke momenten, niet alleen voor de naast-betrokkenen, maar ook voor de
generaties die daarop volgen. Elk heeft zijn eigen karakter.’
Vanuit zijn werkkamer aan de zijde van de Zwanenburgwal kijkt hij uit op een monument ter herinnering aan de weggevoerde Joodse Amsterdammers (zie foto). ‘Het ís een bijzonder monument. Ik passeer het monument met enige regelmaat, al was het maar omdat fotografen het een mooie plek vinden om mij er als burgemeester te fotograferen. De Kristallnacht uit 1938 wordt er bijvoorbeeld herdacht. Een van de mooiste momenten op 4 mei is die stille tocht op de Oosterbegraafplaats, langs al die verschillende monumenten die daar zijn. Mij emotioneert dan telkens de lente die daar dan in de lucht hangt, iets wat zo contrasteert met het grote verdriet dat tegelijkertijd rondwaart. Mij emotioneren ook altijd de mensen die in de tocht meelopen: doodgewone mensen, niet speciaal gekleed voor de gelegenheid, maar échte Amsterdammers, die op de een of andere manier banden hebben met wat er daar herdacht wordt. Die verzameling mensen – allemaal met hun eigen verleden – vind ik heel bijzonder.’
Goed en fout
Belangrijk in de visie van Cohen is het gevoel van herdenken van de slachtoffers van ’40-’45 over te dragen aan een jongere generatie. Gaat dat naar zijn idee lukken? ‘Ja, ik
denk wel dat het gaat lukken. Je zult er wel vormen voor moeten vinden die anders zijn dan zoals wij het doen. Elke generatie zoekt op zijn eigen manier. Je merkt aan jongeren dat ze willen
weten hoe het zat. Ze willen zich er ook in verdiepen, want ze realiseren zich zeker wat het verschil is tussen vrijheid en onvrijheid. En een kenmerk van vrijheid is dat je je het niet
realiseert. En een kenmerk van onvrijheid is dat je dan opeens merkt dat je geen vrijheid hebt en dat je dus dingen niet kunt doen die je anders gewoon bent wél te doen. Het gaat dezer
dagen juist over dat verschil tussen vrijheid en onvrijheid.’
Maar toen Marokkaanse jongeren de kransen van de herdenkingen vernielden, greep u in.
‘Ze waren ermee aan het voetballen! Het veroorzaakte bij mij, bij iedereen, enorm veel emotie. Ik heb daarop een gezelschap bij mij in de ambtswoning genodigd: een aantal mensen uit de
Joodse gemeenschap én een aantal mensen uit de Marokkaanse gemeenschap, om op die manier het gesprek tussen die groepen verder op gang te brengen. Kijk, het verschil tussen oorlog en vrede
weet iedereen. En iedereen die nu in deze stad woont – waar hij ook vandaan komt –, maakt deel uit van deze stad en maakt dus ook deel uit van het verleden van deze stad.’
Onlangs schoof burgemeester Cohen aan bij Pauw & Witteman tegenover acteur Helmert Woudenberg, zelf kind van een NSB-vader. Woudenberg speelt met regelmaat beklemmende rollen over goed en fout in de Tweede Wereldoorlog. ‘Ik vind hem een geweldige man. Zijn vader was inderdaad fout in de oorlog, maar voor de manier waarop Helmert als acteur zijn taak opvat en de wijze waarop hij daarover praat, heb ik grote bewondering.’
Spinoza
Hij laat mij vier stenen zien die hij kreeg toen hij als staatssecretaris van Justitie een asielzoekerscentrum in Winterswijk opende. ‘Die vier stenen werden in de muur ingemetseld en ik
kreeg toen vier kleintjes als cadeau mee. Ze staan hier nu in mijn kamer. Er staat vrede, geluk, vrijheid en toekomst op – vier begrippen die voor asielzoekers die hun land moeten
ontvluchten, van het grootste belang zijn. Je moet je toch altijd realiseren dat deze mensen hun land niet verlaten omdat ze daar zo veel plezier hebben. En dit beeldje is van Spinoza, de
humanist par excellence! Dit is een kleine afbeelding van het grote beeld van Spinoza dat sinds enige tijd vóór het stadhuis staat. Ik ben heel gelukkig dat Spinoza weer teruggekomen
is op de plaats waar hij geboren is.’
Ik vraag Job Cohen ten slotte of er een rechtstreekse lijn bestaat tussen de boel bij elkaar houden en 4 mei. Hij moet even nadenken en reageert dan scherp aan de wind: ‘Zonder die oorlog hadden we ook 4 mei niet gehad, maar dan nóg is het van het grootste belang hier de boel bij elkaar te houden! De boel bij elkaar houden is toch de corebusiness van iedere burgemeester. En daarbij hoort herdenken van beroerde én goede dingen.’


