Jack Poels
‘Wij zijn hier op z’n gelukkigst als het saai is’
Peeldorper Jack Poels (51), voorman van de Limburgse dialectband Rowwen Hèze, geldt als een veelzijdig kunstenaar. Hij is niet alleen zanger en columnist, maar ook kunstschilder. Als geen ander is Poels de vertolker van het dorpsgevoel: ‘Ik schrijf mijn liedjes over de kleine dingen van het dorp.’
Zijn doopstee staat in het Peeldorp America, waar hij naar eigen zeggen is ‘geboren, getogen én afgetuigd’. Hij mag er graag aan toevoegen: ‘Om dan te zijn geworden tot wie ik nu ben.’ Met het predicaat ‘vertolker van het dorpsgevoel’ kan hij ruimschoots uit de voeten. ‘Ik ben iemand die gewoon zijn leven leidt, iemand die hier naar het café of naar de Spar gaat en zich gewoon onder de mensen beweegt. Uiteindelijk schrijf ik over de kleine dingen van het dorp mijn liedjes.’
Heeft het pretentie?
‘Nee. Mijn eerste liedje ‘De Peel in brand’ had in het geheel geen pretentie. We hadden nog geen ambitie en beroemd zouden we tóch nooit worden. Eigenlijk is dat nog
steeds de opzet! Iemand zei ooit: “Jij hoeft zomaar de gordijnen open te maken en je hebt alweer een beeld in je hoofd.” Dat ís ook zo. Ik zag vorige week Obama in Europa over
de crisis spreken, maar dat zijn mij te grote onderwerpen. Ik kom altijd weer op dorpsniveau uit. Het publiek wil het horen.’
Jack Poels is niet ver af van het 25-jarig dienstjubileum van Rowwen
Hèze. ‘Ja’, verzucht hij, ‘dan hebben we het vijfentwintig jaar volgehouden. Vijfentwintig jaar in een mensenleven lijkt te overzien, maar als je de foto’s en
krantenknipsels in een oude doos tegenkomt, dan is het een hele tijd. Het zijn toch telkens die zes mannen met wie je dat bandje moet bestieren. Je zit er toch telkens mee in de bus naar
Friesland of Zeeland.’
Je kon die koppen soms niet meer zien?
‘Ik heb ze één keer geschilderd. Ik kon het bijna uit het hoofd en kon ze zó op het doek zetten. We hebben het met z’n zessen volbracht, dat noem ik al een grote
prestatie. Je moet in zo’n band niet té veel dingen binnenlaten. Je moet het, zoals in een huwelijk, een beetje bij je zessen proberen te houden, niet -alles willen zeggen. Onze
bassist Jan Philipsen zegt altijd: “Als er een korst op de stront zit, moet je daar niet in gaan roeren.”’
Een blijmoedig man, deze Poels, al zegt hij in zijn leven ook tamelijk veel klappen te hebben opgelopen. Ooit verspeelde hij zijn eerste huwelijk. ‘De muziek heeft hier uiteindelijk “gezegevierd”, het was een onomkeerbaar heilig moeten. De muziek riep. Het klinkt nu als een vage uitvlucht, maar op dat moment vond ik dat die liedjes voor mij een hoger doel hadden, omdat ik wist dat heel veel mensen daar veel aan hadden.’
Hij is rooms-katholiek van huis uit, maar niet echt fanatiek meer. ‘Het rooms-katholieke vormt geen leidraad meer in mijn leven. Waar is het misgegaan? Ik weet het eigenlijk niet. Het heeft te maken met de verhalen van mijn moeder over paters en pastoors, waarbij veel dingen met de mantel der liefde bedekt werden. Het zal ook een tijdsbeeld zijn geweest. Ik mis het geloof ook niet, ik had er al niet zo veel aan. In de kerk zat ik mij altijd te vervelen, ik dwaalde af. Toen ik vijftig werd, heb ik het liedje ‘Lied vur Limburg’ geschreven. “De beum ze weare groet, ik kan de kerk has neet mier zeen.”’
Verfomfaaid
Diepgravend onderzoek naar wie Rowwen Hèze was, ene Christiaan Hesen, is door Poels niet uitputtend gepleegd. ‘Wij besloten ooit onze band zo te noemen op de klank van de naam. We
wisten niets van hem, alleen dat hij omschreven stond als nogal lomp en een onbehouwen kerel, die een eeuw geleden bij ons in het dorp in een plaggenhut woonde. Hij zag er nogal verfomfaaid
uit. Rowwen Hèze kon door handoplegging pijn wegbidden. De klank klonk vertrouwd. Zijn naam leeft voort.’
Inmiddels is de band goed voor de verkoop van 800.000 cd’s. ‘We hebben bij de mensen iets aangesproken, we hebben er ook hard voor gewerkt en dat doen we nog! Veel optredens, niet indutten, niet achteroverleunen!’ Rowwen Hèze lijkt de Peel--cultuur al geruime tijd te zijn ontstegen. ‘We zitten echt overal, ik zag gisteren de kaart hangen op kantoor met onze optredens, met al die magneetjes en speldenkoppen over heel Nederland. Bleskensgraaf, St. Jacobiparochie, dat is gelukkig al heel lang zo, hoor.’
Saai
Als een magneet worden de groepsleden van Rowwen Hèze na een voorstelling weer naar hun woonplaats America getrokken. ‘We worden het liefst in ons eigen bed wakker, dat is absoluut
de waarheid. Ik heb een half jaar in Venlo gewoond en ik had elke avond wel weer een smoesje om hier in het dorp te zijn. Door het dorp heen rijden kan het niet zijn, want er is niks. De
volgorde is de kerk, de kroeg en het café, en dan nog een friettent, dat is het. Maar de mensen zijn hier gewoon, je kent ze, het is vertrouwd.’
America is, met permissie, een beetje saai.
‘Er is ooit een documentaire gemaakt over Rowwen Hèze, Van America naar Amerika. Wij gingen toen vanuit dit dorp naar het grote Amerika, de USA. Er moesten voor die
documentaire ook hier in America wat beelden gemaakt worden. Nou, ze hebben met de gratie Gods hier nog ergens drie mooie beelden kunnen maken die de moeite waard waren om in de documentaire te
gebruiken. Het is hier saai, er is weinig van vroeger over, er staan ook geen mooie herenhuizen.’
Ben jij misschien zelf ook een beetje saai?
‘Ja, ik had het er laatst met mijn vrouw Jolanda over, dat wij hier eigenlijk op z’n gelukkigst zijn als het saai is. Wij zijn op ons allergelukkigst als wij hier op de bank zitten.
Dan genieten wij het -meest.’
Is Nederland gevoelig voor een echte dialectband?
‘Je beantwoordt aan een soort dorpsgevoel dat feitelijk overal heerst.’
Het Noord-Limburgs dialect is jullie uithangbord?
‘Het komt vooral door het liedje “’t Is een kwestie van geduld”: “Het is een kwestie van geduld, rustig wachten op de dag dat heel Holland Limburgs lult!”
Volgens de Unesco is het Limburgs een bedreigde taal, waar sleet in zit.’
In ‘Lied vur Limburg’ beschrijf jij de geneugten van de Limburgse cultuur!
‘Ik wilde, toen ik vijftig werd, voor mijzelf alle dingen die mij dat fijne Limburg-gevoel geven, eens op tekst en muziek zetten.’
De fanfare, Pinkpop en jongerencentra – het ligt er allemaal in vervat?
‘Ja, wij komen zelf voort uit die cultuur van bandjes die op zondagavond voor de kastelein en zijn vrouw speelden en verder niemand aanwezig. We hebben dat hele traject meegemaakt, dus
ook dat ploeteren om tegenover mensen die zeiden dat het nooit wat zou worden, klaar te krijgen wie we waren. Ik weet nog dat we een keer buiten Limburg waren, in dat televisieprogramma Op
losse groeven van Chiel Montagne, en dat de mensen, toen we weer in Limburg terug waren, zeiden: “Zo? Op tv?” Die macht, weet je? Steeds kwam daar een beetje bij en toen was
daar Pinkpop, een geweldig -moment, en dan krijg je ineens de wind onder de vleugels.’
Met trots toont hij zijn glimmende iPhone. ‘Dat ding is mij dierbaar, het is prachtig vormgegeven, daar ben ik als grafisch ontwerper van huis uit nog wel gevoelig voor, maar het is ook een wondertje. Als je een liedje op de radio hoort en je houdt hem voor het toestel, dan zit er zo’n programma op waardoor hij zegt welk liedje op de radio is. Niet te geloven! Dit stemapparaatje kan je downloaden, ik gebruik het vooral om mijn gitaar te stemmen, maar ik gebruik deze iPhone vooral voor notities. Ik zit dan in de bus en schrijf er mijn gedichten op, die ik weer naar mijn computer thuis doormail. Dit apparaat is werkelijk mijn vriend geworden. En deze foto uit 1989 is ooit gemaakt voor de cd Zondag in het zuiden. Piet – op deze foto – was een garagehouder uit het dorp. Hij repareerde altijd onze bus en kon geweldig drinken! Hij had altijd feest, een echte bourgondiër! Mij sprak het erg aan dat iemand hier in het dorp gewoon zo leefde en zich eigenlijk weinig van alles aantrok. Hij koos op een gegeven moment in zijn leven voor het genieten en hij is geworden tot wat hij was. God hebbe zijn ziel.’
Bloedfanatiek
Voel je je een echte Limburger?
‘Ja, ik ben wel een echte Limburger. Ik ben van harmonie, ga conflicten het liefst uit de weg. Ik kan er ook weinig aan veranderen. Ik zal nooit in jouw huid of in die van iemand anders
kunnen kruipen om mijzelf aan te kijken en te zeggen: “Poels, jij hebt kansen laten liggen.” Of: “Dit had je anders moeten doen.” Ik ben met ál mijn dingen ook
écht weleens door de stront gezakt. Ik heb mijzelf weer aan de kraag eruit getrokken. Zo is mijn leven en zo moet dat kennelijk ook zijn. Ik bedoel: je start ergens en you go with the
flow!’
De traditionele slotconcerten van Rowwen Hèze, aan het eind van de zomer op thuisbasis America, worden doorgaans door zo’n 20.000 man bezocht. Poels noemt het ‘magistrale’ avonden. Feitelijk betoont Limburg zich dan met een enorm groepsgevoel. ‘Ja, wij geven hier niet snel iets uit handen. De fanfares zijn hier allemaal bloedfanatiek, niet te geleuve! Het is werkelijk alsof Mozes dan van de berg komt. Maar voor mij is Rowwen Hèze pas echt als we op de bühne staan en die zes verschillende mensen van Rowwen Hèze de tent in beweging gaan brengen. Dan begint Rowwen Hèze pas echt.’
Mijn KRO-collega Marc Stakenburg noemt jullie zes aardige jongens die feestnummers overtuigend combineren met een reeks ingetogen liedjes.
‘Hij weet van de andere kant van Rowwen Hèze. Hij weet dat de mensen bij wijze van spreken vóór het podium op de knieën gaan, omdat we een liedje als ‘Blieve
Loepe’ of ‘November’ spelen. Ik wil dat de mensen door de liedjes van Rowwen Hèze betoverd raken. Dat is wat ik wil!’
(c) foto's: Vincent van den Hoogen


