Huub Oosterhuis



‘Helder van geest 120 worden, dat lijkt mij fantastisch!’

Voor de ‘Maand van de Spiritualiteit’ schreef hij het essay Jij die mij ik maakt, van zijn poëziebundel Wie bestaat verscheen binnen vier maanden de vierde druk. Maar priester-dichter Huub Oosterhuis (75) is ook bekend als SP-lijstduwer, als vertrouweling aan het hof en als vader-van.

Hoe vindt u het eigenlijk: 75 jaar?
‘Ik vind er niets van, het is nog wennen. Ik weet het verschil niet tussen 74 en 76. We zullen zien. Ik ga gewoon door.’

De dichter lijkt in zijn antwoorden de laatste jaren vooral het essentiële te willen meedelen. Geprangd klinkt hij, gedragen. Getourmenteerd. Zelfs zijn woorden lijken transparant geworden. Zijn spreekstijl klinkt alsof hij nog steeds slagen opvangt. Onverkort noemt hij zichzelf priester-dichter, met het accent op beide. ‘Zo is het en zo blijft het, hoop ik. U wilt natuurlijk weten hoe het voelt om priester te zijn wanneer een aantal mensen eraan twijfelt of je dat nog wel bént. Ik ben indertijd – begin jaren 70 – als studentenpastor geschorst na een ernstige kwestie over de celibaatwetgeving en dat begreep ik toen natuurlijk heel goed. Maar nooit heeft iemand mij gevraagd om mijn priesterschap terug te geven en nooit heeft iemand het mij ontnomen. Nee, ik bén het nog.’

Hij was jezuïet, trad in 1952 bij de orde der jezuïeten in. Eind jaren zestig stelde de Amsterdamse Studentenekklesia zich vrij op jegens het bisdom Haarlem. De studenten wilden de celibaatwetgeving veranderen, nadat Oosterhuis namens het team van de Ekklesia een speech had gehouden. Hij wilde naar Rome om de houding van de Ekklesia uit te leggen aan de generaal van zijn jezuïetenorde, pater Pedro Arrupe. ‘Ik mocht eigenlijk niet naar Rome, hij vond dat ik eerst moest herroepen wat ik gezegd had. Ik had het Vaticaan beschuldigd van vele dingen die later door vele andere mensen zijn overgenomen. Uiteindelijk ben ik toen op eigen houtje naar Rome gegaan. Via een assistent van de generaal heb ik hem toch bereikt, ’s avonds laat. Het eerste wat hij zei was: “Der Papst hat geweint.” Paulus VI had gehuild. Ik heb hem toen voorgesteld dat ik de paus zou troosten, want er viel immers heel wat positiefs te melden vanuit Amsterdam. Dat ging natuurlijk niet. Hij heeft mij uiteindelijk ontslagen uit de orde, tegen mijn zin. Later heb ik begrepen dat hij er door de paus toe verplicht was, ook om andere belangen van de jezuïeten in Latijns-Amerika rond bevrijdingstheologen veilig te stellen.’

Oosterhuis kan volgens kerkelijk recht geen eucharistie vieren, maar zelf zegt hij onverkort voor te gaan in de eucharistie. ‘Dat is een van de “essentiae” van dat priesterschap. Ik ben het blijven doen zoals ik altijd deed. Daarover is een schikking getroffen met de bisschoppen, zoiets van: het kan niet, maar het gebeurt, “buiten verantwoordelijkheid van de bisschop” heette dat toen. Die situatie is er nog steeds en is sinds 1970 niet veranderd.’

Oorlog
In zijn net verschenen boek Jij die mij ik maakt, dat in deze ‘Maand van de Spiritualiteit’ verschijnt, schrijft hij over zijn Amsterdamse geboortestraat; de Roerstraat. Het is 20 juli 1943. Zijn ouders en hij zien hoe op het plein tegenover hun huis een grote groep Joden wordt weggevoerd. Die ervaring, zo zegt Oosterhuis, heeft diepe sporen nagelaten in zijn leven en inzichten. ‘Ja, dat is heel bepalend geweest. Die hele oorlog en vooral dat moment, dat was toch wel het vreselijkste wat er te zien was. Het was de laatste grote wegvoering, tienduizenden mensen. Daarna was er bijna geen Jood meer in Amsterdam. Ze werden voor ons huis bij elkaar gedreven en stonden te wachten op hun aftocht. Je wist wat er ging gebeuren. Je wist dat hun lot onheilspellend en verschrikkelijk zou zijn. Het was alsof die mensen je aankeken met de vragen: Wat vind jij hiervan? Hoe ga jij hiermee verder? Zó heb ik het ervaren. Het is een belangrijke drive in mijn leven geweest. Het patroon herhaalde zich, zij het op totaal andere wijze, toen in Chili in 1973 Salvador Allende in een bloedige coup werd vermoord door de junta van Augusto Pinochet. In ons centrum De Populier in Amsterdam ontvingen wij een schare vluchtelingen, de eersten die Nederland binnenkwamen na de val van Allende. Wij organiseerden taallessen, we hebben een Chili-beweging opgericht. Overal in Nederland waren Chili-comités, waar gezorgd werd voor de belangen van deze mensen. Dat is in schrijnende tegenspraak met wat er op dit moment gebeurt met vluchtelingen. Maar zó was dat. Ja, in die coup van Pinochet heb ik het nazisme herkend.’

Trouw
Uw leermeester pater Jan van Kilsdonk overleed recentelijk.

‘Ja, hij was heel oud, 91. Hij wist dat hij nog maar kort had. Hij was op, maar volstrekt helder tot het laatste moment. In zijn leven is er natuurlijk iets heel bijzonders gebeurd. Hij is eigenlijk van een troon afgedaald, zou je mogen zeggen. Hij heeft gedaan wat in een aantal psalmen onder woorden wordt gebracht. Hij was als jezuïet en als jong priester een dienaar van de Majesteit Gods, zo luidde die jezuïtische spiritualiteit toen, bijna militair. Dat heeft hij helemaal afgelegd, hij is eruit “weggegroeid”. Die Majesteit was voor hem de mens in nood die hem aankeek en om gehoor vroeg. Dat heeft hij gedaan, zó markant en indrukwekkend dat hij daarin inderdaad een groot leermeester is geweest. Naarmate zijn leeftijd vorderde werd hij ook steeds aardiger. Hij was na zijn 85ste een volstrekt lieve, toegewijde maar uiterst scherpe luisteraar. Ja, hij werd een milde oude man en was bij veel mensen zeer geliefd.’

U bent ook  bevriend met de Romeinse curieprelaat mgr. Karel Kasteel?
‘Oh, dat is een jeugdvriendschap eigenlijk. Wij hebben elkaar ontmoet op de avond voor mijn priesterwijding. Een broer van hem werd ook priester gewijd, tegelijk met mij. Ik vond hem erg aardig en hij mij. Wij hebben altijd contact gehouden, ook toen ik als contesterend priester (priester die bepaalde kwesties in de kerk betwist, red.) in 1969 in Rome was met de beweging Septuagint voor de Schaduwsynode over het celibaat. Zijn vader Piet Kasteel was net teruggetreden als ambassadeur bij de Heilige Stoel. Dan nam hij mij mee naar huis en dan at ik mee met zijn ouders, die zeiden: “Wij zijn het helemaal niet met je eens! Je bent op de rand van de ketterij, Huub!” Vorig jaar heb ik in Rome nog met Karel gegeten. Hij is op zijn wijze zichzelf trouw gebleven en ik op de mijne. Dat levert altijd een vorm van vriendschap op.’ 

Liedteksten
Veel teksten van Oosterhuis op muziek van Bernard Huijbers en later Antoine Oomen bereikten veel kerken. Hij werd erdoor gewaardeerd in de samenleving, zes jaar geleden kreeg hij een eredoctoraat aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. De waardering onder kerkelijke leiders is divers. ‘Ja, zo gaat dat. Nou ja, wat is de kerk, hè? Ik bedoel: voor mij is de kerk de mensen die van week tot week of soms hun leven lang de troost van de Schriften zoeken. En dat zijn er velen, dat zijn er miljoenen. En voor hen heb ik willen werken. We weten allemaal dat er op dit moment in Nederland een officieel-kerkelijke situatie is waarbij een aantal rooms-katholieke kerkleiders voor stringente rechtzinnigheid staan. Zij hanteren het cliché dat ik daarbuiten sta en zeggen: “Die liedjes moet je niet zingen.” Maar zelfs met die mensen valt te praten.’

In het bisdom Roermond mocht in de bundel ‘Laus Deo’ uit 2000 niets van u staan.
‘Er staat niks van mij in dat boek maar verboden ben ik er niet. Dat past niet in de stijl van bisschop Wiertz. Nabij zijn huis ligt een kapel waar ook diensten worden gehouden waar ik wél word gezongen. Hij heeft gezegd: als ze gezongen worden en ik ben er, dan zing ik mee.’

Thuis
Zijn ernstige toon veronderstelt dat Oosterhuis allesbehalve een lichtvoetige man zou zijn. Valt er met deze man eigenlijk ook gewoon te lachen? ‘Ja hoor, geen enkel probleem. Ik heb vaak heel veel plezier. Ik heb veel plezier met mijn kinderen en kleinkinderen gehad en met vrienden, en nog!’ Op zijn muzikale kinderen Trijntje en Tjeerd is hij onverkort trots. ‘Natuurlijk ben ik trots! Trijntje had als kind al een bijzondere stem. Ze kon práchtig zingen toen ze klein was. Ze is er nadien helemaal voor gegaan.’

Als kind zat zij heel vaak onder uw gehoor, maar ze begreep absoluut niet waar u het over had!
‘Nee, dat begrijpen kinderen niet. Maar nu weet ze het heel goed, ja, vraag het haar maar. Ze weet heel goed waar ik het over heb.’

Hij toont mij zijn geloftenkruis. Dat kruis kreeg hij toen hij als beginnend jezuïet na twee jaar zijn geloften deed. Het kruis is hem dierbaar. ‘Dit kruis heeft op ál mijn bureaus gelegen. Dit eenvoudige ijzeren ding herinnert mij aan een keuze die ik gemaakt heb voor dat Grote Verhaal dat altijd opnieuw moet worden geïntoneerd of geïnterpreteerd. Het ligt altijd in mijn buurt als ik aan het werk ben. Dat kruis staat voor de continuïteit van dat hele levensverhaal. En dat daar is een glazen bakje met witte stenen. Ik heb ze ooit allemaal uit zee of aan het strand opgeraapt. Die steentjes moeten mooi en gaaf zijn en die verzamel ik dan en doe ik thuis in glazen bakjes. Ze staan in mijn boekenkast. Die steentjes vormen ook een thema in mijn poëzie, het is ook een thema in de Bijbel. In het laatste boek van de Bijbel, de Apocalyps, staat: “Wie volhardt, die zal Ik geven een witte steen met daarop zijn naam die niemand kent.” Die witte steentjes zijn als symbolen van de doden die ik heb opgeraapt en van de levenden die ik bij mij wil hebben.’

U wilt 120 worden?
‘Já, als het een beetje aardig kan, dan wil ik dat wel. 120 was de leeftijd van Mozes. Die begon op zijn 80ste nog aan een nieuw project, het wegvoeren van dat slavenvolk uit Egypte. Hij heeft dat 40 jaar gedaan en stierf toen met ongebroken ogen, zo staat er. Hij was volkomen helder van geest. Dat lijkt mij fantastisch!’