Joris Linssen
‘Ik wil de mensen graag -opzwepen, raken, ontroeren’
Verhalenverzamelaar, zanger en presentator Joris Linssen (42) is een kind uit een vrije geest. Het levenslied is voor deze Utrechtse Lombok-jongen zijn
voornaamste passie, maar inmiddels is hij bij een breed publiek bekend als taxichauffeur, pakjesbezorger en vaste Schipholklant.
‘Ben ik leuk? Hoe bedoel je? Dit is wel een héél directe vraag. Ik ben wel een leuk mens omdat ik niet zo ontzettend moeilijk doe. Ik ben leuk, ja, ik geef het toe. Há.’
Joris Linssen is naar eigen zeggen een heel ijverige
jongen die erg gedijt bij warmte. Hij wil graag beroerd worden, geroerd ook, en is altijd op zoek naar raken. ‘Óf ik weet zelf mensen te raken, óf mensen raken mij, dat is de
energie waarop ik leef. Het is een strijd in mij tussen ratio en emotie, dat is heel erg hoe ik ben. Weet je, ik ben een uit-een-intellectueel-gezin-voortgesproten jongen die aan de andere kant
een enorme hang naar zwarte romantiek heeft, naar meeslepend, naar voelen, naar emotie.’
Pseudo-revolutionair
Ooit weigerden een aantal docenten van zijn middelbare school in Eindhoven hem te feliciteren met zijn eindlijst, omdat Joris Linssen een aanmatigend pseudo-revolutionair knaapje was.
‘Dat moment staat nog steeds in mijn ziel gegrift. Ik vond het vernederend, ik was – links en geëngageerd – op mijn 17de uit protest van school af gegaan, want ik wilde
een daad stellen. Ik heb later de kettingen die ik als punker droeg, afgelegd en ben teruggegaan naar de maatschappij. Ik kwam op een andere middelbare school terecht, waar ik heel braaf
uiteindelijk mijn examen heb gehaald met een mooie lijst met zevens en één acht. Maar bij de diploma-uitreiking weigerde de helft van het docentenkorps mij de hand te drukken. Dat
vond ik een toonbeeld van kleinheid. Het heeft toch wel wat met mij gedaan. Toen ik een aantal jaren later met mijn moeder door het park vlak bij die school liep, kreeg ik tranen in mijn ogen.
Dat gebouw doemde ineens op als een symbool van de tirannie van die leraren die zó dat jongetje van 18 hadden geprobeerd klein te krijgen. Die school bestaat inmiddels niet meer.’
Wat is dat voor een kuifje op je hoofd?
‘Dat kuifje op mijn hoofd probeer ik zo lang mogelijk te houden. Het is nog van mijn rocktijd. Ik begon van heftige rock-’n-roll te houden en daar hoorde zo’n kuifje bij. Ik
ben een enorme bewonderaar van Elvis, het kuifje is eigenlijk mijn ding.’
Rijdende biechtvader
Sinds 1995 werkt Linssen voor de NCRV. Na een periode als regisseur achter de camera’s trad hij naar voren: Taxi, Joris Pakket Service en Hello Goodbye waren het
resultaat. Het succesvolle Taxi – waarbij hij als taxichauffeur tijdens ritten passagiers verlokte tot uiterst persoonlijke ontboezemingen – viel op het laatst door Linssen
niet meer vol te houden. ‘Ik heb wel meegemaakt dat iemand in de taxi voor het eerst over een enorm groot trauma vertelde en aan het einde van de rit zei: “Maar Joris, dit gaan wij
niet uitzenden. Ik vond het heel fijn om met je te praten, maar ik wil niet op tv!” Had hij al die tijd geweten dat ik met die verborgen camera bezig was. Maar hij wilde wel graag die
biecht doen. Eigenlijk was ik een soort rijdende biechtvader geworden. Ik werd er na zes seizoenen Taxi steeds bedrevener in om mensen met een verborgen camera te bevragen. Ik was de
gêne en de valse schaamte allang voorbij, maar het was allemaal oprecht. Maar dan stapten ze uit en kwam er iemand van de productie met een mapje. “Mag ik u even feliciteren! U was
te gast in het programma Taxi!” Dat ging steeds meer wringen, dat kón niet meer. Toen heb ik gezegd: “Ik ga nu alleen nog maar open en bloot op Schiphol staan, iedereen
ziet me met een camera, je wéét dat je gefilmd wordt. Maar er zijn heel wat grappige ritten geweest en het ging ook vaak heel snel héél diep!’
Ook ‘Hello Goodbye’ werd een gigantisch kijkcijfersucces!
‘Ja, vaak hebben mensen op Schiphol het idee: “We dachten al: straks staat hij er!, en nu stá je er ook!” Het is zoals je vroeger als dagje uit naar de vliegtuigen op
Schiphol ging kijken. Nu heb je er als vijfde attractie bij: kijken of Joris er is! Ik ken natuurlijk veel schoonmakers en mensen van de koffieshops. Ik vind het ook heel leuk om met de jongens
van de dweilwagens te praten. Soms zegt een van die jongens: Joris, je moet gaan kijken in Aankomsthal 3, daar heb je nu een heel mooi gezelschap!’
Symboliek
Hij zegt te geloven in de kracht van mensen en niet in die van dogma’s, zonder dat hij meteen in de categorie humanist of agnost behoeft te worden geplaatst. ‘Ik heb een enorme
voorliefde voor die prachtige beelden uit het katholieke geloof, zoals in het land van mijn grote liefde: Mexico. Daar is dat katholieke geloof nog een beetje vermengd met de oude indiaanse
gebruiken. Ik houd heel erg van de symboliek van de katholieke kerk. Ik heb ooit een zesdelige serie programma’s gemaakt over het uitvaartwezen, De mensen van de uitvaart, en toen
merkte ik dat die katholieke kerk toch wel heel mooi in elkaar steekt met wierook en een gewijde sfeer. Toen zag ik er ook wel de meerwaarde van in.’
Mits het maar niet om dogma’s gaat?
‘Nee, zodra iemand bepaalt hoe het voor jou moet, word ik heel allergisch. Ik heb afgerekend met dogma’s. Ik geloof ook niet in God.’
Inmiddels toert Joris Linssen door het land met het theaterprogramma Tranen van geluk. Hij staat als zanger van zijn band Caramba voor een invoelende voorstelling met het Mexicaanse levenslied-repertoire. ‘Ik ben eigenlijk mijn hele leven al zanger. Ik ben gegrepen door het Mariachi-virus, die prachtige muziek uit Mexico van die mannen in van die zwarte vilten pakken met van die witte borduursels die het liefst staan te zingen voor een onbereikbare liefde op een balkon. Daar in Mexico is mijn droom ontstaan om die liedjes in het Nederlands te vertalen. De smartlap is universeel, alleen in Nederland heeft hij altijd in het verdomhoekje gezeten en geldt hij als heel plat. De smart-lap is hier heel vaak heel lelijk georkestreerd met van die eendimensionale teksten. Die Mexicaanse liedjes hebben prachtig-rijke melodieën met teksten die heel dicht bij mij staan, want Mexico is rauw, direct, vol emotie, passie en zelfbeklag. Je kunt heerlijk zwelgen in verdriet en dat spreekt mij enorm aan. We staan nu met Tranen van geluk veertig keer in tien weken in het theater. Het is eigenlijk een ontzettend heftige en meeslepende periode, maar precies zoals ik ook heel graag wil: de mensen opzwepen, raken, ontroeren.’
Hij toont mij een quitabotas, een laarzenuittrekker gegoten in een prachtige vorm van een koeienkop met hoorns erop. ‘Ik heb deze in Mexico gekocht. Die laarzen zijn praktisch niet uit te trekken. De Mexicanen hebben daar heel stoere voorwerpen voor: ruige, rauwe voorwerpen. Daar houd ik echt van. En dit is het beeld van La Guadeloupe, de beschermheilige van Mexico, een indiaanse Maria. Zij staat ook in onze show en ik steek een kaarsje bij haar op. Mijn hele huis staat vol met beeltenissen van deze maagd uit Mexico. Ze ontroert.’
Paradijsvogels
Showroom werd ooit – in de seizoenen 1977 tot 1983 – door Jan Fillekers en Henk van der Horst voor de NCRV tot nationaal cultureel erfgoed gemaakt. Linssen neemt anno 2008 de
fakkel over. ‘Als ik aan mensen van boven de 40 vertel dat ik Showroom nieuw leven ga inblazen, dan zeggen ze: “Geweldig! Gouden idee! Doen!” Als ik het vertel aan
mensen van beneden de 40, zeggen ze: “Wat moet Joris Linssen met een autoprogramma?” Zíj snappen er nog niets van, zeker de titel niet. Natuurlijk was de grote vraag: bestaan
ze nog, die paradijsvogels zoals ze vroeger gevonden werden en die nog niet eerder op televisie geweest zijn? Je hoeft immers maar íéts te kunnen of je bent bij wijze van spreken al
op televisie. De mensen in onze reeks zijn nog nooit op televisie geweest, ze wíllen eigenlijk ook helemaal niet op televisie. Wij hebben voor deze serie een kluizenaar op wielen gefilmd,
die al twintig jaar in zijn auto woont, helemaal alleen. Ik ben de eerste mens die op zijn terreintje komt. Ik vind het heel bijzonder dat zo’n man begrijpt dat het eigenlijk een
eregalerij is waar hij in terechtkomt.’
Lofzang
Hoe komen jullie aan de mensen?
‘Wij hebben een geweldige researcher, een bohémienachtig type die zelf niet zou misstaan in het programma. Hij reist regelmatig naar het laatste station op de lijn en gaat dan lopen
en vraagt in de plaatselijke herberg: “Ik ben van Showroom, ken je iemand?” Sommige mensen zeggen dan: “Dan moet je bij die-en-die zijn.” En daar hoort hij weer:
“Nee, maar ik heb nog wel een achterneef daar-en-daar.” Het is ontzettend moeilijk werk dat altijd via via gaat, want met kranten knippen schiet het niet op, dat doen al die andere
programma’s al! En bij Showroom leggen we de lat heel erg hoog. Eigenlijk is Showroom een lofzang op de excentriekelingen en de non-conformisten. Dat sprak mij enorm aan. Ik
kwam er al snel achter dat je door middel van een camera in feite alle crap en koetjes en kalfjes kunt overslaan om meteen tot de kern te komen. Ik ben niet iemand van het sociaal
wenselijke gesprek, maar meer van de directe vragen en antwoorden.’
De meeste mensen in het vroegere ‘Showroom’ hadden nauwelijks een stel tanden in de mond! Ze zaten meestal bij het aanrecht aardappelen te piepen met een hoedje op!
‘Deze mensen zijn natuurlijk dáárom zo krachtig, omdat ze niet meedoen met de maatschappij die voorschrijft dat iedereen een recht gebit moet hebben met witte tanden. Daarom
zijn ze zo interessant. Dat is écht waar onze maatschappij naar hunkert, naar mensen die zichzelf zijn en niet alleen maar meerennen achter de kredietcrisis. Voor de grote massa zijn alle
mensen die anders zijn per definitie weirdo’s. De vraag is alleen: wie is er gek? Mensen die zich aanpassen en meedoen aan de commerciële ratrace of mensen die bij
zichzelf blijven?’


