Cherry Duyns
‘Ik ben niet echt ontevreden over mezelf’
Cherry Duyns (64) is documentairemaker. Voor zijn werk won hij een Gouden Kalf en een Prix Europa. Met Armando stond hij op de planken in
Herenleed.
Uw grondtoon is melancholisch?
‘Eh, ja.’
U bent behoedzaam?
‘Ik ben op mijn hoede, zeker. Ik ben altijd op mijn hoede voor andere mensen. Dat heeft wellicht te maken met ervaringen in mijn vroege jeugd. Ik kan er nu prima mee omgaan. Ik heb nu
nergens meer last van. Als je, zoals ik, wat minder plezante jeugdervaringen hebt gehad, dan is op je hoede zijn een reactie, denk ik. Je moet altijd met mensen uitkijken.’
U kent wel zelfspot?
‘Dát in ieder geval. Ik ben soms plechtstatig. Dat is om de boel wat te relativeren, om afstand te creëren.’
Als Man 2 liet hij jarenlang op televisie en in het theater met de
schrijver en beeldend kunstenaar Armando in Herenleed het plechtstatige deel van zijn karakter zien. ‘Het was een toneelstukje! Armando is in werkelijkheid ook niet de persoon die
hij in Herenleed uitbeeldde.’
U deelt met Armando Duitsland?
‘Ja, het verschil is dat hij in Amsterdam geboren is en ik door omstandigheden in 1944 in Duitsland, in Wuppertal, geboren uit een Duitse moeder. Ik heb een Nederlandse vader, die voor de
Arbeitseinsatz gevorderd was.’
Heel vroeg in zijn loopbaan ging hij met de verborgen camera op stap voor het televisieprogramma Poets. Legendarisch zijn de beelden van Duyns als verkeersregelaar in een totaal verlaten bos. ‘Ja, dat is blijven hangen. Iets volkomen belachelijks doen, dat vond ik het aardige eraan. Als je als verkeersagent in zo’n bos gaat staan en mensen uitlegt waarom ze op jouw gezag in dat bos moeten stilstaan, ja, dat is mooi! De AVRO kreeg problemen met het programma, omdat ze er anarchistische trekjes in ontwaarde. Toen kwam Fred Oster.’
Bij de VPRO maakte Duyns Lotgevallen en raakte hij betrokken bij Het gat van Nederland, spraakmakende VPRO-televisie. ‘Ik zat toen nog in de schrijvende journalistiek bij de
Haagse Post. Men vond mijn stukken opmerkelijk. Ze dachten: iemand die zo schrijft en in interviews zulke vragen stelt, moet misschien ook wel een klein item of een filmpje kunnen maken.
Ik kwam uit het milieu van Eelke de Jong, Trino Flothuis, Hans Verhagen en Armando. Ik ben inderdaad filmpjes gaan maken op de manier waarop ik mijn verhalen schreef. Ik heb er mijn weg in
-gevonden, al moet ik eerlijkheidshalve zeggen: de eerste vijftien jaar die ik bij de VPRO doorbracht, had ik ernstige twijfels of ik wel bij die omroep moest blijven. Ik vond het eigenlijk
alsmaar niks.’
De Cherry Duyns-methode bepaalde mede het handelsmerk van de VPRO?
‘Dat weet ik niet, ik heb in elk geval aan veel programma’s meegewerkt. Ik ben niet echt ontevreden over mezelf. Ik ontving de Zilveren Nipkowschijf voor Levensberichten, een
reeks van drie grote documentaires over de oncologische afdeling van het VU-ziekenhuis. Het meest tevreden ben ik over de vrijheid die de VPRO mij gaf, of die ik veroverd heb. Ik heb altijd de
films kunnen maken die ik wilde maken. De film over Stefan Zweig (op 25 september uitgezonden in het VPRO-vierluik De onzichtbare film, red.), die op het Utrechts Filmfestival vertoond
werd, heb ik zelf gekozen en de Mulisch-film komt ook uit mijn brein. Ik heb nooit dingen hoeven doen die anderen mij opdroegen.’
Lourdes
Een levensbeschouwing heeft hij niet. ‘Mijn moeder en grootmoeder moeten mij ooit als baby enigszins verborgen in dekentjes naar de Sint Bavokerk in Haarlem gebracht hebben. Mijn moeder,
die een zwaar Duits accent had, vroeg of het kind gedoopt kon worden. De priester in kwestie keek even naar het baby’tje in de deken en zei toen: “Het spijt me, ik doop geen
moffenkinderen.” Dat was dat. Het dekentje werd gesloten en mijn grootmoeder – hartstochtelijk katholiek – en mijn moeder zijn toen weer teruggekeerd naar huis. Tot zover mijn
kerkelijk avontuur, mag je zeggen. Bij nader inzien ben ik er wel blij om, want het geheel brengt grote rust.’
U heeft niet veel met kerken?
‘Ik heb wel wat met de kerk. Ik vind het interessant dat mensen kunnen leven met de gedachte dat er iets van een soort voortbestaan is. Ik heb juist grote vrede met mijn misschien
naïeve besef dat er hierna helemaal niets meer is. Dat vind ik wel zo prettig en rustig. Ik kom ook niet in de hemel. Ik denk dat het licht uitgaat. Ik ben overigens één keer
naar Rome gegaan, om te zien of de paus onder dat witte gewaad écht rode schoenen draagt. En waarachtig, hij draagt ze! Ik ben ook vaak naar Lourdes geweest. Ik heb erover geschreven en er
een film over gemaakt. Lourdes vind ik fascinerend vanuit die naar hoop en geloof steunzoekende mensen in karretjes. Want dát is het eigenlijk: mensen die steun zoeken voor hun bestaan! Ik
vind dat prachtig om te zien en ik doe daar niet laatdunkend of hooghartig over. Ik heb er zelfs in baden gewerkt om de ervaring te leren kennen. Ik wilde weten hoe dat was in de baden. Ik kijk
ernaar zoals ik naar andere interessante parapsychologische fenomenen kijk. Lourdes intrigeert mij buitengewoon, maar de oncologische afdeling van het VU-ziekenhuis in Amsterdam boeit mij op
een andere manier nét zo.’
Verbijsterd
Duyns wordt vanwege zijn filmwerk stilistische brille toegekend. Hij blijft onbewogen. ‘Het enige wat ik kan zeggen, is dat ik heel gepassioneerd in de weer ben met de dingen die ik maak.
Ik hoor weleens dat mensen mijn filmpjes aardig vinden.’ Voor de documentaire De droom van de beer, over een imploderend Sovjet-circus, kreeg hij een Prix Europa. Voor De
wording, het nationale geschenk bij gelegenheid van de 50ste verjaardag van koningin Beatrix, ontving hij een Gouden Kalf. ‘Ach, er zijn zo veel mensen die er een hebben gewonnen. Ik
ben bang dat als je maar lang genoeg doorgaat, je op een gegeven moment vanzelf wel in aanmerking komt voor een Gouden Kalf.’
Recent voltooide Duyns een documentaire over de joodse schrijver Stefan Zweig. De zelfgekozen dood van deze Oostenrijkse schrijver fascineert Duyns tot in zijn merg en mag gerust illustratief genoemd worden voor zijn werk. ‘Ik las zijn roman Die Welt von gestern en zag een aantal foto’s van zijn zelfdoding met zijn tweede echtgenote Lotte Altmann in Brazilië in 1942. Die foto’s zijn nooit meer van mijn netvlies gegaan. Ik was verbijsterd dat iemand die zo veel succes over de hele wereld had, met vijftien miljoen verkochte boeken vertaald in meer dan vijftig talen, zo’n einde vond. Ik ben een aantal plekken afgegaan waar Stefan Zweig gewoond en gewerkt heeft. Stefan Zweig was naar zijn gevoel alles kwijtgeraakt: zijn cultuur, zijn taal, alles, en hij zag geen einde aan de oorlog komen.’
Het einde
Hij toont mij een doodshoofdje van balsahout. Het blijkt gesneden door zijn in 1944 overleden grootvader – variétéartiest, evenals Cherry’s vader. ‘Nu staat het in
mijn werkkamer als een herinnering aan wie mijn grootvader en mijn vader waren, maar ook als een herinnering aan wat me te wachten staat. En dit is een staartje van een grijze
roodstaartpapegaai. In mijn roman Dante’s trompet speelt de grijze roodstaart een zeer voorname rol. Eromheen gedrapeerd liggen de veertjes van een goudplevier, een van mijn
favoriete vogeltjes. Die veertjes staan voor het einde, altijd maar weer het einde.’
Onverwoestbaar
Zijn documentaire over Harry Mulisch noemt Duyns ‘bijna biografisch’. ‘We hebben een reis naar Haarlem gemaakt, daar is hij geboren. Veel verder zijn we niet gekomen. Ik heb
eerder een documentaire over Mulisch gemaakt: Gran, sporen van een droom in 1984. Ik reisde toen met hem naar Egypte, Israël, Griekenland, Berlijn en Neurenberg. Die reis had een
gedicht tot onderwerp. Aan de hand van zijn dichtbundel Egyptisch trachtten we tot een analyse van zijn werk en thematiek te komen. Ik ken hem van vele andere ontmoetingen, niet geheel
zonder risico. We zaten ooit in een vliegtuig waarvan de motor in de fik stond. We dreigden neer te storten. Dat was een moment waarbij we als het ware heel dicht bij de dood leken te staan. Nu
maken we een film over begin en einde. Ik heb een goede verstandhouding met hem. Beiden zijn wij in Haarlem opgegroeid en beiden hebben we zo’n Duitse nerf door onze stam lopen. Ik
bewonder hem als schrijver buitengewoon. Hij is een onverwoestbare oeuvrebouwer met een monumentale boekenkast in zijn hoofd.’
Er zijn mensen die vinden dat Mulisch zich de laatste jaren redelijk pedant jegens zijn recent overleden collega-schrijvers uitlaat, onder wie Jan Wolkers, W.F. Hermans en Gerard
Reve.
‘Ach, Reve is nooit vriendelijk tegenover Mulisch geweest. Zeker: als mensen dood zijn, dien je daar gepast op te reageren. Maar al die keren dat ik Mulisch sprak, heb ik hem nooit echt
boos of kwaadaardig over collega’s horen spreken. Dat vind ik nu juist zo bijzonder van hem. Harry sprak trouwens ook altijd in gunstige woorden over de Haarlemmers Anton Heyboer en
Godfried Bomans, allebei vrienden in de gerenommeerde kunstenaarssociëteit Teisterband op de Grote Markt.’
Bij Mulisch ga je altijd terug naar Haarlem?‘Het gaat heel vaak terug naar Haarlem en naar de oorlog. Hij heeft heel inzichtelijk over zijn verleden geschreven, maar er is toch altijd
weer een verschil of je het leest of met iemand in zijn geboortehuis staat waar hij de plek aanwijst waar zijn moeder een tweepersoonsbed had en zijn vader in de andere kamer in een
eenpersoonsbed sliep. Ik heb het gevoel dat Mulisch in deze film een laatste rondgang door zijn jeugd maakt. Niet dat hij spoedig zal sterven – ik hoop dat hij 106 wordt –, maar ik
heb wel het idee dat hij niet nog een keer terug zal komen in zijn geboortehuis of in de Anna van Burenlaan, waar hij is gaan schrijven en waar hij de oorlog heeft meegemaakt. Het is een film
die over het begin en het einde gaat en dan spreek je over de dood, want zonder de dood is er eigenlijk niet zo veel.’


