Henny Vrienten



‘Ik ben eigenlijk een ongelooflijke geluksvogel’

Filmmusicus, gitarist, ex-Doe Maarzanger, poëzieman, bijna de nestor van de Nederlandse popmuziek. Henny Vrienten (60) telt vele zegeningen en voegt daar deze maand die van kerkmusicus aan toe. Hij componeerde zijn eigen Hoogmis.

Met 11 jaar werd hij seminarist in Kaatsheuvel. ‘Ik wilde missionaris worden. Als je in het katholieke zuiden in de vroege jaren zestig de oudste zoon van het gezin was, dan lag het bijna voor de hand dat je naar een seminarie ging. Als je dat op de fraterschool te kennen gaf, dan kreeg je ook nog de mooiste potloden! Ik was geloof ik wel een slijmbal in die tijd. Er kwam een pater met zo’n witte jurk en met zo’n tropenhelm op zijn hoofd bij ons thuis lichtbeelden tonen van de missie in Afrika en toen wist ik het: dát wilde ik ook! Op zo’n boot naar zo’n duister continent, gewéldig! Maar ja, om zielenherder te worden is het handig dat je ook gelóóft, en dát is mij nooit gelukt.’ Inmiddels is hij naar eigen zeggen agnost. ‘Ik ben geen priester geworden, het werkte niet bij mij.’ Hij maakte een herfstwandeling met een brevierende pater voorop en een rij jongetjes twee aan twee daarachter. ‘Toen kwam er aan de overkant van de provinciale weg een vrouwelijk wezen aanfietsen en kreeg ik ter plekke de geest. Ik zag ineens dat ik op de verkeerde plek zat. Mijn hormonen begonnen te werken, ik wist niet hoe snel ik weg moest komen. Dat fietsende wezen sprak mij aanmerkelijk méér aan dan het Opperwezen! Maar op dat seminarie is bij mij door de muziekpater wel mijn muziekkiem ontplooid!’

Wierook
‘Mijn katholieke wortels zijn vrijwel uitgewist maar ik beschouw mijzelf nog steeds als een culturele katholiek. Ik houd van kathedralen en abdijen, ik zal niet makkelijk in het buitenland een kathedraal voorbijrijden. Als je opgegroeid bent in de geur van wierook, zal dat je nooit meer onbewogen laten. Ik liep een keer met mijn vrouw met Kerstmis in Rome een kerk binnen; daar was net een Hoogmis bezig. Tot mijn verbijstering merkte ik dat ik geen enkele Latijnse tekst vergeten was. Het woont dus nog allemaal in je hoofd, ergens in een la.’

Dan ligt het componeren van een ‘Hoogmis’ voor de Oecumenische Studentengemeente Utrecht misschien wel dichtbij?
‘Je weet in elk geval waar het over gaat en welke toon er getroffen wordt. Ik heb deze Mis niet geschreven omdat ik ergens mee in het reine moest komen of zo. Ik heb dit gewoon vaktechnisch gedaan omdat ik nog nooit een hoogmis had gecomponeerd. Het heeft mij altijd aangesproken om een soort innerlijke muziek te maken: muziek die een ritueel dient, die beklijft. Op louter vaktechnische basis.’

Doe Maar
25 jaar geleden schoot de popgroep Doe Maar als een komeet naar de top, met nummers als ‘1 nacht alleen’, ‘De bom’, ‘Is dit alles?’ en ‘Nachtzuster’. Met twee volledig uitverkochte concerten in De Kuip werd dit jaar het succes van toen nog eens nabeleefd en herhaald. ‘Het was erg leuk om te doen, die tijd is een fantastische erfenis die wij met ons meedragen. Zolang we alle vier nog gezond zijn en elkaar aardig blijven vinden, is het heel leuk om af en toe een soort reünieconcert te doen.’ Hordes jonge meisjes liepen in die jaren als  hysterische fans achter de vier Doe Maar-muzikanten aan. ‘Die vijf Doe Maarjaren waren een cesuur in mijn leven. Het was daarvoor een rustige tijd, en nu zit ik al 25 jaar als een soort monnik in mijn studio muziek te maken – ook redelijk rustig.’ In 1984 stopte Doe Maar. ‘Roem is een hoer’, had Vrienten al eens geroepen, de Doe Maar-jaren en de sfeer en hectiek eromheen vervormde hem als persoon. ‘Ja, zúlke roem en zulke aandacht: ik vond het een benauwd onnatuurlijk leven worden. Als je het normaal gaat vinden dat mensen je gitaren gaan dragen en iedereen voor je opzij gaan duwen, dan is er iets mis. Ik wil er meteen bij zeggen dat ik ook ontzettend veel baat bij Doe Maar heb gehad. Ik heb daarna heel veel werk kunnen doen omdat iedereen mij kende van Doe Maar.’ Het reünie-concert van Doe Maar in De Kuip op 12 juli beleefde Vrienten als een ‘ongelooflijk mooie spirituele bijeenkomst’. ‘Dat was zó goed, we speelden zó ontzettend goed, we zweefden een meter boven dat podium uit. Het was ook het gedroomde publiek, een avond die ik nooit meer zal vergeten. We kwamen van dat podium en zeiden tegen elkaar: “Hier komen wij nooit meer overheen! Beter wordt het niet.” Ik denk niet dat wij nog snel zoiets groots zullen doen. Misschien moeten we heel kleine tourneetjes in heel kleine tentjes gaan doen of een keer zo’n gratis concert voor een goed doel, maar over zo’n groot Kuipconcert, zo’n stadionconcert komen wij nooit meer heen.’

Sinds Doe Maar verscheidde, trad vooral de filmmusicus Henny Vrienten aan. Van Spoorloos tot Left luggage, van Pietje Bell tot The discovery of heaven, Vrienten schreef er de filmmuziek bij. ‘Ik doe die dingen met veel plezier. Je kunt redelijk autonoom werken, je komt wel in aanraking met musici, orkesten, producenten en regisseurs maar het grootste gedeelte van de tijd zit je gewoon in je eentje te werken.’

Er steekt iets monnikachtigs in je?
‘Ja, alles wat je goed wilt doen vergt een soort concentratie. Die concentratie moet uit jezelf komen en daar heb je rust voor nodig. Ik ben eigenlijk een ongelooflijke geluksvogel. Dit is een ontzettend goede manier van leven en sowieso: dit is een spélend leven en ik heb ook geen enkele behoefte om ermee te stoppen. Twintig jaar geleden liep mijn zoontje langs mijn werkkamer en hij zag mij daar zitten met een belletje in mijn hand en een ratel. Hij keek mij diep nadenkend aan en zei toen: “Pap, eigenlijk ben jij altijd aan het spelen!” Toen zei ik:  “Ja, dát is het, ik heb een spelend leven, homo ludens. Kán niet beter.”’

Er zit ook iets poëtisch in jouw stem. Leef jij van gedichten?
‘Ik lees heel graag poëzie, ja, dat is waar. Ook heel veel Nederlandse dichters: Der Mouw, Leopold, Claus, Lucebert, Gorter. Zonder Gorter zou het voor mij een doelloos klimaat zijn geworden.’

De seminarieopleiding was in die zin toch een zegen!
‘Dat is – om in jullie termen te spreken – een zegen!’

Hoezo: júllie termen?
‘Ik waak ervoor mij in te laten lijven in het katholieke kamp, want ik ben er al geweest en ik ben eruit. Ik ben nu een bedachtzame toeschouwer maar ik hoor er niet bij!’

Afgelopen zondag werd in de St. Janskerk in Utrecht zijn Hoogmis gepresenteerd. Liturgische muziek in de vorm van een hoogmis, dát had hij nog nooit gedaan. Elf composities waaronder vaste misdelen als een Kyrie, een Gloria, een Acclamatie bij de Voorbeden en een afsluitende Zegenbede. ‘Ik heb het met heel erg veel plezier gedaan. Ik heb geprobeerd om de muziek geschikt te maken voor de ruimte waar die in zou klinken. Je weet hoelang zo’n galm duurt, dus je moet niet te veel riedels en te veel noten bedenken. Je moet de noten de ruimte geven.’

Hoe zou je jouw kerkliturgische muziek willen omschrijven?
‘Als een vorm van innerlijke muziek, in elk geval geen naar buiten gekeerde muziek. Het is innerlijke muziek die toch eerder verstilling dan lawaai zoekt.’
Ook volkszang is een onmisbaar element in jouw ‘Hoogmis’?

‘Ja, ik heb de eerste partij steeds zó gecomponeerd dat de gemeente die kan zingen. Alle complexere tegenpartijen worden in meerstemmigheid door het koor gedaan.’

Merkwaardig: zijn Hoogmis heeft nog geen naam. ‘Er wordt nog over nagedacht, misschien moet het De Mis van Vrienten worden, maar daar verzet ik mij tegen. De Mis heeft misschien geen naam, het is een viering.’

Beoog je dat mensen door jouw ‘Hoogmis’ de essentie van het geloof beter kunnen verstaan? Jouw ‘Mis’ is toch bedoeld voor christelijke kerken?
‘Ik verzet mij daar niet tegen. Ik hoop dat de muziek zijn werk doet voor de mensen in de kerk die de Mis zingen. De teksten variëren van Augustinus tot aan een gedicht van Hans Andreus.’
Kan Huub Oosterhuis binnenkort ook een beroep op jou doen?

‘Ik ga hier niet mijn beroep van maken. Ik word geen liturgische componist, dus: voorlopig even niet.’

Trouwring
Hij toont mij zijn trouwring. ‘Ik had nooit gedacht dat ik er ooit een zou dragen maar ik merk dat ik ontzettend aan die ring gehecht ben geraakt, én aan mijn vrouw natuurlijk. Die ring is daar het symbool van. Ik draag hem met trots. Deze gitaar is een Fender Jaguar uit 1963. Mijn Tilburgse gitaarleraar zei altijd: “Niks fender dan een Fender!” – in het Tilburgs betekent fender fijner. Deze is oud en doorleefd, dat hoor je, dit is voor mij de ultieme gitaar. Het lichaam van een gitaar is natuurlijk uiterst vrouwelijk, je houdt eerder een stevig fallussymbool in je handen om de akkoorden te grijpen. Het is niet voor niets dat iedereen op het podium met zo’n ding om zijn nek staat. Ik vind een gitaar een erotisch instrument.’ Binnenkort duikt Vrienten voor een reeks optredens weer het theater in, tezamen met Frank Boeijen en Henk Hofstede van de Nits. ‘Na de cd Aardige Jongens die we met z’n drieën maakten, gaan we vanaf deze maand weer het land in. We gaan zo’n zestig theateroptredens doen. We repeteren nu voor de concerten, het is leuk.’

Ben jij anno 2008 als muzikant eigenlijk tóch een soort missionaris?
‘Nee, ik blijf verre van welke boodschap dan ook! Ik probeer in mijn liedjes ook zeker niet ál te moralistisch te zijn, wel eerlijk. Ja, Doe Maar heeft wel een periode last gehad van moralistische liedjes maar ach: men vergeeft iemands jeugdzondes toch?’

Aan jou heeft zich ‘de ritselende revolutie’ voltrokken?
‘Já, van Lucebert! Ik heb sowieso nooit op de barricaden gestaan. Als er iets moest veranderen had ik liever dat dat met een ritsel gebeurde dan met een klap. Ik zoek niet altijd de weg van de minste weerstand maar ik zoek wél altijd harmonie. Aan mij is veranderd dat ik eigenlijk immens geniet, en dat kon ik vroeger niet zo goed.’