Jan Nieuwenhuis
Vermaard prediker, bezield zielzorger, kritisch katholiek, een echte ‘hond van de Heer;’ pater dr. Jan Nieuwenhuis (84) combineert in zijn persoon vele kwaliteiten. Vanaf 1964
‘staat’ hij in de Dominicuskerk in Amsterdam, een vrijplaats voor liturgische vernieuwing. Anderhalve maand geleden deed hij daar de bij zijn leven al legendarische
jezuïet pater Jan van Kilsdonk uitgeleide.
Nieuwenhuis zelf vierde 3 augustus jongstleden zijn 60-jarig priesterschap, Dominicaan is hij al veel langer. Recent kwam hij in het nieuws als mede-auteur van de brochure Kerk &
Ambt waarin 4 Nederlandse dominicanen - tegen de achtergrond van het nijpend priestergebrek - een pleidooi houden om het priesterschap open te stellen voor geschikte kandidaten uit de
gemeente zelf. Het kwam hem en zijn mede-auteurs te staan op een schrobbering van kardinaal Simonis en zelfs op kritiek binnen de eigen Orde.
De tijden lijken veranderd maar Nieuwenhuis kijkt daar héél anders tegenaan. Zijn priesterleven ligt geplaveid met kritische noties ten aanzien van wat de katholieke kerk wettelijk
heeft bepaald. De Johannes-kenner Nieuwenhuis kan moeiteloos laden met theologisch-bijbelse argumenten opentrekken om een andere historisch-bepaalde visie in te brengen.
Boven andere mensen verheven
Bij de KRO was hij in beeld als theologisch deskundige bij het RKK/KRO-cateche- seproject Uit De Grond van Mijn Hart begin jaren tachtig -, hij is een neef van
oud-Brandpunt-verslaggever Willebrord Nieuwenhuis. Beide Nieuwenhuizen - de één als KRO-journalist die het conclaaf coverde, de ander als oud-Romekenner en voormalig
Bazuin-journalist - trof ik op 16 oktober 1978 aan op het terras van Hotel Columbus aan de Via della Conciliazione in Rome toen de Poolse kardinaal Wojtyla zich als paus Johannes
Paulus II enkele uren daarvoor op de loggia van de St. Pieter had gepresenteerd. Prosecco binnen handbereik, er viel op deze dag en bij een nieuw pontificaat veel te verwachten. Inmiddels
schrijven wij 2008.
‘Ik ben in 1948 gewijd. Wij werden pas gewijd nadat we de hele opleiding van zeven jaar achter de rug hadden. Er is inmiddels wezenlijk veel aan veranderd. Die wijding in 1948 was
toen een soort uitverkiezing waardoor je ver boven de andere mensen werd verheven. Ik kreeg het gevoel verkoper van geestelijke verzekeringspolissen te zijn geworden’
Dat idee heeft u inmiddels verlaten?
‘Dat idee ver boven de mensen verheven te zijn heb ik Godzijdank helemaal verlaten maar was toen als vanzelfsprekend. Toen ik na de wijding in de spreekkamer binnenkwam waar mijn familie
zat, zonken zij allemaal op de knieën, óók mijn vader en moeder, mijn broer en zus, om mijn zegen te ontvangen. Mijn lieve tante Annie, de jongste zus van mijn moeder en als
verpleegster degene die mij mede ter wereld had geholpen, riep opeens: “Oh God, mijn Jantje!” Je was ineens geen Jantje meer, je was tot een andere dimensie overgegaan’.
Ik ontmoet hem in zijn kloosterzolder bij familie in Amstelveen. Hij moet bij het woord kloosterzolder weliswaar hartelijk lachen. ‘Nou, ik vind het niet hilarisch: het ís
natuurlijk ook een kloostercel! Ik bén natuurlijk Dominicaan, ik wil dat blijven zolang het mij gegund wordt en ik doe dat graag want ik vind het een goede mooie club. Het zijn niet alleen
hele aardige mensen maar dat ze doen dingen zoals die brochure Kerk & Ambt: je nek uitsteken als dat nodig is. Dát is de taak van religieuze ordes.’
Jan Nieuwenhuis op. (foto: Gerard Klaasen)
Al 44 jaar is Jan Nieuwenhuis pastor van de Dominicusgemeente aan de Spuistraat in Amsterdam. Vele Dominicanen van naam en faam zag hij voorbijtrekken, en in toenemende mate ook leken. De
gemeente kwam halverwege, begin jaren zeventig in conflict met de toenmalige bisschop Zwartkruis van Haarlem, sindsdien opereert zij als vrije gemeente, buiten het gezag van de bisschop.
Opvallend: bij zijn 60-jarig priesterfeest kreeg Nieuwenhuis tussen alle cadeaus ook een fors boeket van bisschop Jos Punt van Haarlem. ‘Ik heb de geste bijzonder op prijs gesteld maar
weet niet zeker of ik op administratieve wijze het boeket kreeg of dat de bisschop écht weet dat ik in Amsterdam besta. Ik vind het daarnaast nog altijd buitengewoon verheugend maar ook
een beetje ontstéllend dat er nog altijd mensen zijn die naar mij willen luisteren. Ik heb het gevoel dat ik nu wel zo’n beetje gezegd heb wat ik allemaal had willen zeggen.
Máár: ik vind het fijn om het te mogen doen, het is een mooi ambt en zolang ik het kan zal ik het blijven doen’.
U heeft in Rome gestudeerd, U heeft Pius XII meegemaakt, een dogma in 1950 maar óók de ontwikkelingen in de Nederlandse katholieke kerk die de Dominicuskerk en uw eigen pastoraat
zo grondig hebben beïnvloed?
‘Ik weet nog precies wanneer mijn vragen begonnen. Ik kwam in 1954 terug uit Rome terug met geen enkele vraag over de katholieke kerk daar, integendeel. In 1954 verscheen er evenwel een
bericht in de kranten dat paus Pius XII dodelijk ziek was én een verschijning had gehad van Christus in de tuin in het Vaticaan. Toen dacht ik voor het eerst: “Dat kan niet! Daar is
iets mis”. In de tuin van het Vaticaan, dat ging mijn pet volledig te boven. Toen is alles begonnen te wankelen, dat heeft vele jaren geduurd. Ik kwam daardoor in de loop der jaren tot
een volkomen andere beleving van dat priesterambt. Veel authentieker aan wat het eigenlijk ís. Toen ik bij mijn 60-jarig priesterfeest die preek hield over wat het priesterschap eigenlijk
is toen heeft de kerk mij een ovatie gebracht waar ik diep van onder de indruk was. De mensen gingen opstaan, dat heeft minuten geduurd omdat zij begrepen wat ik met mij priesterschap ten
diepste heb beoogd. Dat maakt het mij mogelijk om door te gaan’.
Geen letterlijk spreekverbod
Vorig jaar schreef hij met drie medebroeders de brochure Kerk & Ambt die een uitweg probeerde te zoeken in de lastige
celibaatswetdiscussie en vooral het tekort aan priesters. Kernstuk van die brochure was dat de gemeente zelf haar voorganger moest kunnen kiezen, mogelijk later te bevestigen door een bisschop.
De brochure en haar auteurs kregen ongenadige kritiek maar het deerde hem niet. ‘We hebben immers ook onwaarschijnlijk veel ínstemming gehad van over de hele wereld. Inmiddels is de
brochure in 7 talen vertaald en is op alle mogelijk internetsites te vinden. De brochure doet ondergronds haar werk’.
Opvallend is in vergelijking met vroeger jaren dat uw Generaal-overste er eigenlijk niet vóór bleek te zijn. In eens viel het woord spreekverbod?
‘Wij hebben niet létterlijk een spreekverbod maar het Hoofdbestuur van de Orde moest zich natuurlijk wel van de brochure distantiëren, onder de druk van het Vaticaan, dat is
mijn heilige overtuiging. Dat bestuur heeft een soort weg gezocht en die hield tenslotte in: wij mochten niet meer openlijk pleidooi voeren voor de gedachte in de brochure. Ik ervaar dat niet
als een neusklem of dat we niet meer zouden mogen zeggen wat we denken. Kijk, dat priesterschap heeft niets te maken met een verheffing van iemand die iets kan wat andere niet kunnen. Het is
als vanouds: je geeft jouw gemeente het symbool van de Sjaloom, de priester is degene die heelt, die geneest en die alles weer goedmaakt, die zorgt dat het leven weer mogelijk is. Dat heeft
niets te maken met een soort macht. In een ding gebeurt er naar mijn vaste overtuiging niets. Er kan wél iets gebeuren in mensen. Niet een díng wordt geconsacreerd maar
wij mensen doordat wij dat - teken stellende - onszelf breken en delen met iemand anders. Dat is de kern van het héle verhaal’.
Hoe is het dan te verklaren, vraag ik Jan Nieuwenhuis dat er zoveel mensen zijn - ook bisschoppen - die er zo’n volstrekt andere opvatting over hebben? In maart gingen twee van de
auteurs van Kerk & Ambt in Deventer in discussie met bisschop Gerard de Korte, toen nog hulpbisschop van Utrecht. Het woord ‘bijna schismatiek’ viel uit de mond van de
bisschop. ‘De kerkelijk opvatting is pas gaandeweg in die kerk ontstaan want in de aanvankelijke eeuwen was het gewoon dat priesters uit de gemeente kwamen en ook door die de
gemeente werden aangesteld. Pas in 1215 bij het 4e Lateraanse Concilie werd dat volledig veranderd en mocht alleen een geldig en geoorloofd gewijde priester de eucharistie vieren. Toen gebeurde
dat voor het eerst en daar klampt de kerk zich nog stééds aan vast’.
De kritiek die u en uw medebroeders vooral ten deel valt is dat u eenvoudig ingaat tegen de Rooms-katholieke leer?
‘Ja, maar die Rooms-katholieke leer is menselijkerwijs gezien nog niet zo vreselijk oud. Wij gaan ook nérgens in tegen de bijbelvisie die hier héél overtuigend en duidelijk
is - lees de brief van Petrus: “In jullie allemaal bestaat een koninklijk priesterschap”. En die “allemaal” kiezen uit hun midden één persoon die dat
activeert, die dat belichaamt, die dat waarmaakt. Ik zeg ook absoluut niets nieuws: op het eind van de jaren zeventig heeft Edward Schillebeeckx dat in zijn boeken, met name in Kerkelijk
Ambt, héél uitvoerig en gedocumenteerd neerge- zet’.
Wie gaat het winnen in visie op den duur?
‘De ónmacht. Dat is het wezenlijke van het hele bijbelse verhaal. Dan wordt het eindelijk een kerk, denk ik De kerk moet zich niet vereenzelvigen met die macht, met die koningen die
brandschatten, stelen en brandmerken -, die moet zich vereenzelvigen met degenen voor wie je de voeten wast’.
Hartverwantschap met Jan van Kilsdonk
Als gezegd, anderhalve maand geleden leidde Jan Nieuwenhuis de uitvaart van pater Jan van Kilsdonk SJ. ‘Ja, met grote letters SJ zoals hij dat zelf ook wilde! Hij had mij daarvoor benoemd
als het ware. Er bestond tussen Jan van Kilsdonk en mij een soort hartverwantschap ofschoon bij Jan van Kilsdonk nooit de gedachte heeft geleefd om zijn orde te verlaten, net zo min als bij
mij. Wij stamden uit twee verschillende nesten maar wij waren zeer verwant en solidair met wat ons daarin voor ogen stond. Daarom was het ook zo’n een buitengewone uit- vaart waarin
Dominicanen en Jezuïeten elkaar als het ware elkaar vonden. Als ik me realiseer dat ik vroeger in mijn studie als Dominicaan nog niet eens mocht vóetballen tegen de Jezuïeten!
Jan van Kilsdonk is nadat zijn taak bij de Studentenekkesia had beëindigd met hart en ziel naar de Dominicusgemeente overgestapt, hij was daar iedere zondag te vinden. Hij wilde ook
persé vanuit die Dominicusgemeente worden begraven. Niet dat hij iets tegen de Studentenekkesia van Huub Oosterhuis had want daar kwam hij immers vandaan mar ik denk dat hij het bij ons
ervaren heeft als iets volkser, iets meer op de vloer’.
Die uitvaart was bijzonder zoals het leven van Jan van Kilsdonk als pastor ook zo bijzonder was?
‘Ja, zonder meer. Het was naar mijn gevoel precies wat hij altijd gewild had.
Zie bijvoorbeeld de wijze waarop hij dit leven heeft verlaten. Hij heeft mij áltijd gezegd: “Ik hoop dat het in de nacht gebeurd, net als bij mijn broers in de slaap”. Dat is
hem gegund. De belangstelling bij zijn uitvaart was overweldigend. Toen ik een uur voor de uitvaart naar de kerk ging, stond er al een file in de Spuistraat. Toen er 600 mensen binnen waren
moesten de deuren dicht want méér mensen mochten wij van de brandweer niet binnenlaten. Toen kwam burgemeester Job Cohen - hoofd van de brandweer - en ik vroeg hem: ‘Kunt u daar
niet wat aan doen?’ Toen zei Cohen: “Laat ze maar binnen”. Er zaten tenslotte 1200 mensen in de kerk! Het was krankzinnig! Ik heb die uitvaart zelf als overweldigend ervaren.
Het was ook helemaal een uitvaart zoals híj die voor zichzelf gewenst had’.
En u reikte in uw homilie aan de kern van uw eigen pastoraat: de uitleg - niet alleen van de Schrift - maar ook van een mens?
‘Het is mijn heilige overtuiging dat Jan van
Kilsdonk zo geleefd heeft vanwege het voorbeeld van Jezus van Nazareth die precies hetzelfde deed. Hij zocht de mensen op die het moeilijk hadden, de mensen die ergens mee zaten -, dat deed hij
en hij aarzelde niet om te zeggen: “Dat is voor mij de eerbied van de mens”.
Jan van Kilsdonk had verdriet aan de kerk en kon daar vaak op een heel emotionele manier over spreken. Hoe is dat met u?
‘Ja, ik heb er ook zéér veel verdriet van.
Ik zal de dag prijzen dat die officiële kerk eens iets wilde zeggen of alleen maar ene handreiking wilde doen om over bepaalde dingen te willen spreken of luisteren in plaats van alleen
maar in het bootje te zitten van “Wij weten het en zo-en-zo is het”’.
Alleen die kerk, die krimpt in, die is al lang niet meer wat die van uw jeugd en in uw lange Dominicaanse jaren ooit was.
‘Je kunt ook van de andere kant kijken en zeggen: “Die kerk wordt veel groter. De echte kerk wordt veel groter. Het aantal mensen dat toeneemt - niet meer misschien als lid van die
organisatie maar als mensen die daarover denken, die daar kritiek op hebben en anders willen -, dat neemt enorm toe. Ik vind: dat is de ware kerk’.
Gerard Klaasen


