Henk van Os



Het grote publiek kent hem vooral als televisiegangmaker op weg naar de kunst. Jaren deed Henk van Os (67) VARA’s Museumschatten, en vervolgens voor de AVRO’ Beeldenstorm. Het einde is in zicht. Met acht afleveringen rondom twee grote tentoonstellingen Rembrandt/ Caravaggio en Dromen over Italië stopt de populaire kunsthistoricus zijn televisiewerkzaamheden. Een kunstsnack tussen twee grote programma’s houdt op te bestaan.

Bent U bezeten van kunst?
Henk van Os (foto: rkk)‘Bezeten is niet het juiste woord maar kunst is wel een onmisbaar element in mijn leven’. Begin jaren zestig studeerde Van Os enige tijd in Rome. Het katholicisme is in zijn werk een permanent gegeven. ‘In 1963 maakte ik in Rome een studie over de liturgie van het Feest van Maria ter Sneeuw. U weet dat een belangrijk aantal altaarstukken over deze voorstelling van Maria gemaakt zijn. Het intrigeerde mij waarom Maria met sneeuwballen werd afgebeeld’.

En bent U tot een conclusie gekomen?
‘Absoluut! Maria moest in die voorstelling zuiver zijn -, sneeuw is wit; Maria is witter dan sneeuw. Ik werkte in het Vaticaan op het moment dat daar het Tweede Vaticaans Concilie plaatsvond, héél spannend! Het Feest van Maria ter Sneeuw werd tegelijker- tijd een paar zalen verder afgeschaft. Ik heb nog wel lezingen gehouden op het IDOC aan de Piazza Navona, een huis van de Vrouwen van Bethanië  waar de Nederlandse concilievaders en hun adviseurs zoals Schillebeeckx bijeen kwamen’.

Van Os werd bij het Nederlandse televisiepubliek bekend om de aanstekelijke wijze waarop hij kunst over het voetlicht bracht. Hij mag de uitvinder genoemd worden van de sandwichformule: kunst tussen twee grote programma’s in.
‘Het ging ons om zoveel mogelijk kijkers, het ging ons erom om de Nederlanders naar de Nederlandse musea te krijgen’. Zelf was Van Os directeur van het Rijksmuseum in Amsterdam. Van Os’ doelstelling werd door hem ruimschoots gehaald: 300.000 bezoekers per tentoonstelling was midden jaren negentig niet vreemd meer. Als directeur van het Rijksmuseum wist hij in zijn jaren ook op een heel aparte manier tentoonstellingen te organiseren. ‘Het belangrijkste was dat we heel duidelijk onderscheid maakten in ons aanbod. We brachten het aantal tentoonstellingen drastisch terug, er was één grote tentoonstelling per jaar en daarna nog enkele B- en C-tentoonstellingen zoals we dat noemden. Deze opzet maakte het voor het publiek en de pers veel overzichtelijker om op in te spelen’. De Dageraad van Gouden Eeuw was zo’n ‘spannende’ tentoonstelling. Het zat hem al in de titeltekst want daarmee nodig je het publiek uit. Dageraad van de Gouden Eeuw werd een on- voorstelbaar groot succes en was erg stimulerend. De grote Rembrandt-tentoonstelling moest toen nog plaats -vinden’.

Zaterdag 25 februari start de AVRO met de laatste serie afleveringen van Beeldenstorm. Thema’s: de exposities Rembrandt/ Caravaggio en Dromen over Italië.
‘De tentoonstelling Droom van Italië, in het Mauritshuis in Den Haag, heb ik zelf samengesteld. Als ik ooit één tentoonstelling zelf héél erg graag had willen maken, dan is het wel deze. 45 kunstwerken waarmee je vier eeuwen Droom van Italië van kunstenaars benoorden de Alpen zichtbaar maakt. Een tentoonstelling met échte meesterwerken, van een soort die in Nederland nog nooit te zien zijn geweest. Er is een práchtig schilderij van Feuerbach, een van de grote Duitse negentiende-eeuwse schilders, er zijn twee schitterende Turners, een Claude Lorrain op zijn sterktst, een prachtige Poussin, de grote Franse zeventiende-eeuwse schilder, en zo is er nog een heleboel meer. Het toont de enórme betekenis die Italië voor de beeldende kunst van Europa heeft gehad. Ik heb me, toen ik deze tentoonstelling samenstelde, opnieuw gereali- seerd hoe vaak de kunstenaars van benoorden de Alpen in hun leven gedacht hebben: “Als we écht kunstenaar willen zijn dan moeten we nu naar Italië toe”. Ze hadden er ontzéttend veel voor over. Eén kwam gewoon uit Duitsland naar Italië toe gelopen. Ze hadden het gevoel: “We móéten er heen”.


Gerard Klaasen en Henk van Os (foto: rkk)

Is van de tentoonstellingen die U hebt samengesteld deze de mooiste?
‘Ha, dat vind je natuurlijk altíjd van een tentoonstelling waar je net mee bezig bent maar voor mij was deze wel het interessantst omdat die trek naar Italië mijn onderwerp is. Ik ben medievist, de kunst van de late Middeleeu- wen en de vroeg-Italiaanse kunst is mijn belangrijkste stiel. De vraag gold wel: ís het wel iets: vier eeuwen, zes landen, allemaal kunst over Italië, heeft het iets met elkaar? Kun je daar samenhang in brengen. Die vraag was eigenlijk op die manier nog nooit gesteld’.

En: ís het iets?
‘Het ís iets. Het begint met het gevoel van: om-een-echte-kunstenaar-te-zijn-wil-ik-laten-zien-dat-ik-dáár-ben-geweest. Ze beeldden zich ook allemaal af onder meesterwerken uit de Oudheid, naast het Colosseum of onder de Apollo van Belvedère, zo van: ík-was-hier! Net zoals toeristen elkaar tegenwoordig fotograferen bij die mo- numenten. Tóén vonden kunstenaars dat héél dringend nodig. Uiteindelijk bracht het veel kunstenaars in de 19e Eeuw tot de visie: Italië-ligt-in-ons-zelf. Het verlangen is véél belangrijker dan het reisdoel zelf. Het verlangen naar Italië werd helemaal gesubjectiveerd tot iets eigens van die kunstenaar. Er ontstonden schilderijen waarin het ook alleen over dat verlangen ging. Ik wilde dat proces van subjectivering laten zien, dat aanvankelijke proces van “Moet je mij daar eens zien” en dat eindigt met “Het zit híer, in mijn hart”’.

De zogenaamde Goudstikker-collectie wordt voor het grootste gedeelte teruggegeven aan de erven van de oorspronkelijke eigenaren. Deze collectie van de joodse collectioneur Goudstikker werd in de oorlog door de nazi’s geroofd en na de oorlog door de Nederlandse overheid over een aantal Nederlandse musea verdeeld. De erven willen de collectie in bezit terug. Wat vindt U?
‘De teruggave vind ik een heel moeilijk te accepteren besluit. Ik heb de weduwe Goudstikker vrij goed gekend. Stukken uit de Goudstikker-collectie heb ik zelfs heel lang in mijn werkkamer in Groningen gehad. Ik heb van haar altijd het gevoel gekregen dat ze dankbaar was dat daar in Nederlandse musea zoveel mensen van de collectie kennis konden nemen. In 1952 is er een overeenkomst met haar gesloten en ik heb nooit het gevoel gekregen dat zij onder dat besluit leed. Ik weet ook niet of er onrecht is gedaan aan die familie. Ik heb sowieso erg veel moeite met erven. Ik ben van nature iemand die denkt: “Je hebt alleen maar recht op datgene wat je zelf verdiend hebt”. Ik heb al gauw de neiging om het gedrag van deze erven aan geldzucht te wijten. In de gesprekken met an- dere leden van de familie kreeg ik de indruk dat ze het vreselijk vonden dat die kunst werd geclaimd’.

Van Os is een man van liturgie. Hij is lid van de Episcopal Church of the United States, de Amerikaanse versie van de Anglicaanse Kerk.
‘Eigenlijk ben ik van Nederlands Hervormde snit maar die Nederlands calvinistische kerk ligt vér weg van mijn liturgisch hoog ingeschaalde Anglicaanse kerk. Zondag’s kerk ik in Amsterdam in de katholieke Obrecht-buurtkerk. Ik mag daar als gast aanwezig zijn, dat doe ik al jaren. Ik hou van de liturgie in die kerk, van de muziek, de kunst, ik hou van het gebouw. Ik hou eigenlijk erg van buurtkerken. Gewoon daar waar de klokken beieren, daar wil ik naar de kerk gaan’.

Katholiek zult U niet worden?
‘Nee, ik zal nooit katholiek worden. De combinatie van centraal kerkgezag en geestelijk gezag is niet echt iets voor mij, ik vind dat hoogst problematisch Het heeft vooral te maken met machtsstructuren, en dat staat heel ver van mij’.

U leeft nochtans met Prediker?
‘Ja, dat vind ik een fantastisch bijbelboek. In Prediker ligt een heel overtuigende manier van geloven vervat, dat vind ik er fantastisch aan. Er is in de vroegchristelijke tijd wel eens een theoloog geweest die zei: Credo Quia Absurdum, “Ik-geloof-omdat-het-absurd-is”. Prediker kan de totále zinledigheid van de wereld etaleren om ver- volgens vast te stellen dat we juist dáárom voortleven’.

Prediker zegt: “Ga door, sluit je niet op, verzand niet in verdriet. Toon het leven zoals je het kunt leven!
‘Ja, maar Prediker gaat er niet overheen. Prediker benoemt de zinledigheid maar brengt ook een soort spirituele energie voort om niet in een oppervlakkige roes te geraken alsof het leven zinloos is’.

Één van Uw zussen is overleden, één van Uw kinderen is op vrij jonge leeftijd overleden. U bent Prediker dus tegengekomen?
‘Ja, het is een onderwerp waar ik in het publiek nooit over spreek maar het antwoord is ja. Daarom is het soms ook moeilijk om altijd diezelfde vorm van enthousiasme overeind te houden die nodig is om mensen iets van kunst te laten begrijpen. Ik ben ook graag hele tijden op mezelf en dan loop ik niet de hele dag te hiphoppen van vreugde. Ik verkeer dan ook weer niet in diepe neerslachtigheid maar ik heb wel veel tijd nodig om op mezelf te zijn’.

Hoe doet U dat dan?
‘Op heel verschillende manieren. Mijn boeken worden geschreven in grote mate van afzondering. Kunst is natuurlijk ook een manier om op jezelf te zijn’.

Maar de meeste mensen kennen U eigenlijk als een artistiek-flamboyante man die héél positief en overwogen Uw verhaal over prachtige kunst debiteert
‘Ja, ik weet van de manier waarop ik overkom. Het is een deel van me. Ik vind het bijvoorbeeld heerlijk om college te geven maar om dat te kunnen moet je jezelf wel kunnen opladen, en dat gebeurt in afzondering. Allenerigzijn bevalt me wel’.

Mij viel altijd Uw positieve stijl van uitleggen op en Uw manier van kijken daarbij. U heeft guitige ogen. Heeft U Uw présence ten aanzien van de wijze hoe je kunst uitlegt voor een groot publiek zelf nauwkeurig bestudeerd?
‘Nee. Ik denk er zelfs in het geheel niet over na. Ik doe wat de regisseur zegt, behalve dat ik soms niet altijd de kleren aan wil die men mij aan wil trekken’

Nee?
‘Ik probeer zoveel mogelijk met mijn eigen kleren in beeld te komen. In de kleding die mij van redactiewege wordt aangereikt zie ik er in het werkelijke leven niet echt uit dus ik wilde samenhang een beetje bewaren. En mijn vrouw wil dat nog véél liever dus die helpt daar een beetje bij’.

Worden de uitzendingen spannend?
‘Ik hoop het wel. De spanning hangt meestal af aan de kwaliteit van de dingen die je laat zien. Ik bedoel: het kan nauwelijks niet-spannend zijn. Soms hebben die grote meesterwerken iets verlammends op mij, dat geldt voor Rembrandt/Caravaggio en zeker voor de Droom van Italië. Je moet er dan toch doorheen en goed weten: wat-wíl-ik-hier-mee?, waarom-laat-ik-dit-zien?, en hoe-breng-ik-dat-goed-onder-woorden?’

U bent een duidelijke tegenstander van lulkoek over kunst?
‘Ja, ik kan er niet goed tegen om moeilijke woordjes te gebruiken zonder dat het nodig is. Soms lijkt het alsof sommige van mijn vakbroeders vooral duidelijk willen maken dat kunst voor de-man-in-de-straat eigenlijk te moeilijk is en dat dat alleen maar in héle moeilijke termen besproken kan worden. Dat ergert mij omdat het niet waar is. Kunstgeschiedenis kan je écht aan iedereen uitleggen zonder dat je daar veel concessies voor hoeft te doen. Het gaat over spullen en wel de mooiste spullen die er zijn. Ik heb nog nooit een echt serieus wetenschappelijk kunsthistorisch probleem niet aan een groot publiek kunnen uitleggen! Dat bestaat gewoon niet. Aan mensen die dus daar dus héél moeilijk over doen -, en die zitten vooral in de sector Moderne Kunst -, heb ik een grote hekel. Ik wend de blik veel liever naar de tentoonstelling Droom van Italië in het Mauritshuis waarvan ik hoop dat veel mensen die gaan zien. Ik kijk er zelf heel erg naar uit. De tentoonstelling brengt kunst naar Nederland die je hier niet gauw te zien krijgt: meesterwerken uit de Europese schilderkunst. Ik noem het voor mijzelf een buitenkans dat ik ze straks bij elkaar zal zien. Ik hoop dat veel mensen de weg naar het Mauritshuis zullen weten vinden’.