Zonder monnikenwerk wordt Nederland verzwolgen

Hilversum (door Pauline Kuijper) 25 juni 2009 - Dijkenbouwers en droogmakers hadden door de eeuwen heen twee dingen gemeen: hun geloof in God en hun geloof in maakbaarheid. Voor de cisterciënzer monniken die in de middeleeuwen grote delen van Zeeland omdijkten, kwam hier nog de angst voor de duivel in de ongetemde natuur bij. Cordula Rooijendijk vertelt in haar boek Waterwolven het al eeuwen durende verhaal van de mensen die proberen te voorkomen dat Nederland door woeste ‘watermonsters’ wordt opgeslokt. In gesprek met katholieknederland.nl stelt zij vast dat zowel het geloof in God als in maakbaarheid de laatste decennia op de achtergrond is geraakt bij de bescherming van onze kusten. En dat brengt grote gevaren met zich mee...

Gelovige strijders
Welke rol heeft geloof dan gespeeld in de geschiedenis van de waterwering en landwinning in Nederland?

“Ik kwam het door de hele geschiedenis als motivatie tegen, dat heeft mij echt verbaasd. Kort gezegd draaide het om twee varianten: de strijd tegen de duivel in de onbewerkte natuur en de overtuiging dat de mens met de door God gegeven middelen als rentmeester in de natuur moest staan. En daarnaast waren strenggelovigen, zoals de baggeraars uit de omgeving van Sliedrecht, ook geneigd om watersnoden als een straffe Gods te zien. Het lichamelijk zware baggerwerk was dan niet alleen nuttig, maar ook heilzaam als kastijding voor het tot zonde geneigde lichaam.”


Tegel uit het Abdijmuseum in het Zeeuwse Ten Duinen (foto: C. Rooijendijk)

De duivel in de natuur
Je vertelt in je boek het verhaal van de cisterciënzer monniken die van de 12e tot de 14e eeuw grote stukken van de slikkengronden bij Zuid-Beveland omdijkten. Waarom deden juist monniken dit?

“Voor de cisterciënzers, die Europa in waren gezonden door hun strenge abt Bernard van Clairvaux, was het een uitgelezen manier om te strijden tegen de duivel, die voor hen verbonden was met zowel het aardse lichaam als de onbewerkte natuur. De gevaarlijke krachten van beide moesten worden bedwongen. Bij het zware werk in de slikken - de grond die alleen bij eb droogviel - sneed het mes als het ware aan twee kanten: de wilde natuur werd getemd en het lichaam gekastijd.”

Hoe waren zij in die onherbergzame uithoek van Europa terechtgekomen?

“De cisterciënzers waren begin 12e eeuw begonnen met het droogleggen van de moerassige gebieden rondom hun abdij in Clairvaux. De zo opgedane kennis zetten zij al snel ook elders in, waardoor zij een reputatie kregen op dit gebied. Al binnen enkele decennia werden zij benaderd door graven uit Vlaanderen, Zeeland en Holland, die zelf de techniek van het bedijken niet beheersten. Deze graven gaven het waardeloze natte land weg aan de deskundige monniken. Dat leek deze edelen niet alleen goed voor hun zielenheil, maar ook voor de bescherming van hun eigen land, dat er vlak achter lag.”

Cruciale extremisten
Je hebt heel veel over deze monniken gelezen. Welke indruk heb je van hen gekregen?

“Het waren hele extremistische mensen. Dat je zó kan afzien, dat kan ik me niet eens voorstellen. Dat je op je blote voeten de slikken intrekt en dan maar gewoon klei gaat scheppen, dat vind ik zo waanzinnig. Neemt niet weg dat ze uitvindingen hebben gedaan die cruciaal zijn geweest voor de strijd tegen het water. Zo beheersten zij lange tijd als enigen de techniek om dijken te bouwen door geulen in de zeebodem. En ook hun manier om sluizen in de dijken te bouwen was ingenieus en vooruitstrevend. En hun werk was ook heel erg lucratief. De kloosters werden hartstikke rijk van de oogsten van de op de zee veroverde vruchtbare kleigronden.”


Slikken bij Zuid-Beveland (foto: C. Rooijendijk)

In de 14e eeuw ging het vrij snel bergafwaarts met de cisterciënzers. Gold dat ook voor de waterweringen?

“Ja, en dat kwam door een combinatie van factoren. Er waren enkele decennia geen stormvloeden van betekenis. De kloosters moesten veel geld schenken aan strijdende koningen en werden niet zelden door soldaten geplunderd. Bovendien kwamen hongersnoden en de pest stak zijn dodelijke kop op. De verarmde kloosters raakten steeds leger, wat veel abten – die zelf vaak niet eens meer ter plekke woonden - ertoe bracht hun regeltucht en zware selectie-eisen te laten varen. De orde verslapte en nieuwe aanwas bleef uit. Toen er vervolgens weer een serie stormvloeden kwam, hadden de cisterciënzers noch de middelen noch de mankracht om de dijken op peil te houden. Grote stukken land zijn daardoor voorgoed verloren gegaan, zoals het land van Saaftinge en een stuk van Zuid-Beveland.”

Straffende God versus falende mens
En die andere christelijke motivatie, het goede rentmeesterschap, waar ben je dat tegengekomen?

“Bijvoorbeeld bij de 16e-eeuwse dijkgraaf Andries Vierling. Hij was een hele goede dijkgraaf, die zijn functie niet alleen als een lucratieve titel zag maar echt als een opdracht, wat vrij uitzonderlijk was in die tijd. Hij was ook heel christelijk, maar in tegenstelling tot wat veel deterministische dominees predikten had hij een humanistische maakbaarheidovertuiging. God gaf de mensen middelen als hout, riet en klei om de woeste natuur te bestrijden. Als er dan iets mis ging met de dijken kwam dat niet door het ingrijpen van God, maar het falen van de mens. Andries Vierling vond dat hij als christelijke rentmeester zijn verantwoordelijkheid moest nemen.”

In je boek waarschuw je dat een groot deel van onze dijken er momenteel uiterst belabberd aan toe is. Vind je dat zorgwekkend?

“Ik vind dat enorm zorgwekkend. Ik spreek dijkgraven die zeggen: 'Wij willen gewoon dijken verstevigen, dat is echt nodig.' En ook op de TU Delft ontmoette ik zeer verontruste wetenschappers. Maar bij de beleidsmakers ontbreekt de grote visie. Mensen maken zich tegenwoordig ook nauwelijks zorgen, 1953 is immers alweer zo lang geleden. Dat zie je in de geschiedenis telkens terug: pas vlak na grote watersnoden gaat men weer stevige maatregelen nemen om het gevaar voortaan te weren. Niet voor niks luidt een oud gebed van de dijkgraven: 'Geef ons heden ons dagelijks brood, en af en toe een watersnood'."

Blauwe mossel
Maar er zijn toch volop plannen? Nog onlangs is er een pretentieus Deltaplan gepresenteerd, waarmee de regering juist wilde aangeven dat ze nu eens niet gaan wachten tot het kalf verdronken is…

“Ja, maar de huidige inspanningen zijn ontzettend versnipperd en er wordt naast waterwering veel aandacht besteed aan allerlei andere dingen. De één wil een tulpvormig eiland voor de kust van Zeeland, de ander wil aan de Afsluitdijk een supersnelle bus en een osmosecentrale toevoegen en weer een ander wil graag dat de blauwe mossel ergens terugkeert. Terwijl ondertussen het gegeven is dat momenteel maar 44 procent van de primaire waterweringen aan de eisen voldoet.”

Kun je stellen dat het slechter gaat met de dijken, omdat we minder gelovig zijn?

“Ja, dat én het verdwijnen van de maakbaarheidgedachte. Je hebt één van die twee nodig om goede dijken te bouwen. Het idee, we kunnen – al dan niet met Gods hulp - alles aan, dat moet je echt hebben, anders kan je niet zoiets groots voor elkaar krijgen als dijken bouwen. Ik heb nog niet gezien dat daar een andere bevlogenheid voor in de plaats is gekomen, en dat kon ons wel eens duur komen te staan.”

Cordula Rooijendijk, Waterwolven – Een geschiedenis van stormvloeden, dijkenbouwers en droogmakers. ISBN 978-90-450-0481-5 Uitgeverij Atlas, Amsterdam/Antwerpen


Cordula Rooijendijk aan 't IJ (foto: RKK)