Van Kilsdonk liet zich niet imponeren door ?kerkmandarijnen?
Hilversum (ANP) 1 juli 2008 - Voor Jan van Kilsdonk was pastoraat een tweede natuur. Tot aan het einde van zijn leven verkeerde hij zwijgend en luisterend in Amsterdamse kroegen en op de
aidsafdeling van het Academisch Medisch Centrum. Voor Van Kilsdonk ging eerbied voor mensen boven kerkelijk gezag. Hij overleed vanmorgen in Amsterdam op 91-jarige leeftijd.
Lief huisdier
De voormalige studentenpastor werd voor duizenden studenten en aidspatiënten in Amsterdam een begrip door zijn zeer persoonlijke wijze van pastorale zorg. Talloze brieven heeft hij hun
geschreven, talloze keren zocht hij hen op in studentenflats en kroegen. “Een lief huisdier in Amsterdamse studentenflats”, typeerde hij ooit zichzelf.
Loyale oppositie
Voor veel kritische rooms-katholieken in Nederland was Van Kilsdonk de priester die opkwam voor de noodzaak van een loyale oppositie tegen Rome. “De Romeinse Curie is de grootste
sta-in-de-weg voor de dialoog in de gemeente Gods”, zei hij al in 1962 in een geruchtmakende toespraak voor de Adelbertvereniging in Rotterdam. Hij hekelde de ‘geestelijke
terreur’ van de rooms-katholieke kerkleiding.
Spreekverbod
De toenmalige aartsbisschop van Utrecht, kardinaal Bernard Alfrink, reageerde binnen een week, zonder overigens de naam van Van Kilsdonk te noemen. De jezuïetenorde legde de vrijmoedige
studentenpastor voor drie jaar een spreek- en schrijfverbod op. Het Heilig Officie, zoals de Vaticaanse Congregatie voor de Geloofsleer toen nog heette, stelde een onderzoek in. In eerste
instantie eiste het Vaticaan het aftreden van Van Kilsdonk.
De dans ontsprongen
Na overleg met de toenmalige bisschop van Haarlem, Jan van Dodewaard, werd die eis teruggenomen. Van Kilsdonk ontsprong de dans omdat, zoals Van Dodewaard liet weten, “de huidige situatie
in katholiek Nederland een ingrijpen niet toelaat”.
Kerkmandarijnen
Van Kilsdonk bleef door zijn vrijmoedige optreden een luis in de pels van de Nederlandse bisschoppen. Hij sympathiseerde met de vernieuwingsgezinde Acht Mei Beweging, verwierp het verplichte
priestercelibaat en kwam op voor de rechten van vrouwen en homoseksuelen in de kerk. Homoseksualiteit omschreef hij als ‘een vondst van de Schepper’. Kerkelijke dogma's als die van
de maagdelijke geboorte relativeerde hij op grond van onvermoeibare studie. Ook na zijn emeritaat in 1982 zat hij elke dag drie uur achter de boeken, ‘al was het alleen maar om me niet te
laten imponeren door kerkmandarijnen’.
Jezus
Na zijn vertrek als studentenpastor las hij alle studies over de historische Jezus. De ‘ten troon geheven' Jezus, die in de vierde-eeuwse geloofsbelijdenis van Nicea aan God gelijk wordt
gesteld, leek volgens hem nauwelijks meer op de ‘joodse charismaticus’ uit de eerste eeuw.
Collaboratie
De pastorale carrière van 'aartspastor' Van Kilsdonk begon in 1945, toen hij als pasgewijde priester in Maastricht en later Vught op bezoek ging bij mensen die wegens collaboratie met de
Duitse bezetter waren vastgezet. In kamp Vught woonde hij zelfs enige tijd tussen de gevangenen.
Conflict met orthodoxie
Toen de provinciaal van de jezuïetenorde hem in 1947 voor de keus stelde om naar Rome te gaan voor verdere studie of godsdienstleraar te worden aan het Ignatiuscollege in Amsterdam, koos
hij, niet geheel van harte, voor het laatste. Een levenslang verblijf in het centrum van het kerkgezag lokte hem nog minder. Toen al vreesde hij een voordurend conflict met de orthodoxie.
Schoonheid en extase
Van Kilsdonk wilde de leerlingen en later de studenten “het gevoel geven dat godsdienst iets aan het verrukte verstand te zeggen heeft, dat godsdienst diepzinnigheid is en schoonheid,
extase en verwondering, en een eindeloze cultuur heeft''.
Stormen
In de roerige jaren zestig en zeventig, die zijn collega en ordegenoot Huub Oosterhuis tot een breuk met kerk en orde brachten, overleefde Van Kilsdonk ondanks zijn spreek- en schrijfverbod
alle stormen. Hij bleef het celibaat en de soms zo verfoeide RK-Kerk trouw.
Gepeperde uitspraken
Na zijn emeritaat deed hij meer door zijn tomeloze pastorale inzet dan door gepeperde uitspraken over de kerkleiding van zich horen. Wie hem wilde zien, moest zondag naar de Dominicuskerk in
het hartje van Amsterdam gaan. Hij zat tijdens de dienst altijd op dezelfde plaats, waarop niemand anders durfde plaats te nemen, de mensen om hem heen vriendelijk groetend. Terwijl het
slotlied werd gezonden, slofte hij naar de uitgang.


