WebTV: Een verstekeling in de Larense processie
26 juni 2005
Larense processie
Kruispunt volgde zondag 26 juni de St. Jansprocessie in Laren. De processie is een ritueel dat zich al 200 jaar volgens een vast stramien voltrekt. Schrijfster en columniste Marijke Hilhorst liep als geboren Larense talloze malen mee als bruidje. Later viel ze van haar geloof af, om nu, anno 2005, als een verstekeling in de kerk, toch weer deel te nemen aan de processie.
Column
Speciaal voor de uitzending van Kruispunt schreef Marijke Hilhorst een column, waarin ze haar ontwikkelingsgang schetst. Bekijk de beelden die Kruispunt bij de column uitzond of lees hieronder de integrale tekst. De teksthoofdjes in onderstaande tekst werden door de redactie van katholieknederland.nl toegevoegd.
Verstekeling
[door Marijke Hilhorst]
Bruidje, 8 jaar oud
Tijdens mijn leven heb ik verschillende rollen vervuld in de Sint-Jansprocessie en bij elke rol hoorde een passend kostuum. Zoals de meeste katholieke meisjes begon ik als bruidje. En bouwen veel jongens een carrière op door bijvoorbeeld als eenvoudige kwastendrager te beginnen om later, eenmaal sterk genoeg, zelf de speciaal voor dit doel vervaardigde leren draagriem om te mogen gespen en daar het vaandel in mee te dragen, ik begon aan de top. De mooiste, de allermooiste, de allereervolste rol ook was namelijk weggelegd voor de bruidjes. Als bruidje liep je het dichtst bij God, voor hem uit strooide je bloemblaadjes op zijn pad. Van zijn aanwezigheid was ik me heel wel bewust, ook al was ik pas acht jaar oud toen daar ik in mijn lange witte jurk op mijn witte gympjes en met mijn witte handschoentjes aan meeliep in de processie. Ook al zag je God niet echt zelf.

Marijke Hilhorst (foto: Marijke Hilhorst)
God op straat
Op school hadden we niet alleen geoefend hoe we plechtig moesten lopen - langzaam, met zulke kleine pasjes dat de neuzen van je gymschoenen niet onder je jurk tevoorschijn piepten en met neergeslagen ogen, maar waren we ook gewaarschuwd om niet al te scheutig met onze bloemblaadjes te zijn omdat onze mandjes anders op de hoek bij Huystee al leeg zouden zijn. Maar vooral werden we ervan doordrongen dat de gewijde hostie opgeborgen achter het glaasje midden in de gouden stralenkrans van de monstrans die door een bisschop, soms zelfs door een kardinaal, werd gedragen, God was. Daarom was het zo?n plechtige aangelegenheid. Normaal gesproken kwam God niet op straat, alleen op 24 juni verliet hij de kerk en wij mochten hem begeleiden op zijn tocht naar het kerkhof en terug.
Jubelend gebeier
Natuurlijk was ik van te voren doodzenuwachtig. Mijn jurk mocht niet vuil worden en ik ging niet meer zitten anders kreukte hij. Mijn handschoentjes moesten schoon blijven. Het mandje was versierd en tot de rand gevuld met rozen - en lathyrusblaadjes. Ik was speciaal voor deze dag naar de kapper geweest, mama deed een bloem in mijn haar en papa maakte een foto van mij en mijn zusje Hennie met zijn Agfa Clack. Tot het jubelende gebeier van de klokken ons riep: Kom. Kom. Kom. Dat was 1960. Wat horen de bruidjes van nu en zijn ze net zo trots als ik toen?
Minder spectaculair
Mijn tweede rol in de processie was een stuk minder spectaculair. Ik liep mee als verenigingslid en wel van de katholieke gymvereniging Willen Is Kunnen, WIK stond er op het embleem van onze witte sporthemdjes. Weer gympjes aan de voeten maar dit keer geen lange jurk, juist een voor die tijd nogal kort gymrokje.

Gymvereniging WIK, (foto: Marijke Hilhorst)
'Herwonnen levenskracht'
Tot ik mocht collecteren. Mijn vader organiseerde, als voorzitter van Herwonnen Levenskracht - een van de goede doelen van de katholieke arbeidersbond, de KAB, - de jaarlijkse collecte. Vaag herinner ik me wel eens een propagandafilmpje gezien te hebben waarin beelden van een man die aan TB lijdt in een van hun herstellingsoorden verblijft. Natuurlijk was het een gouden gelegenheid voor collectanten want langs de route van de processie stond van begin tot eind een dikke haag van mensen, reli-toeristen zouden we ze nu noemen, en op deze bij uitstek feestelijke dag waren die goedgeefs.

(Foto: RKK)
Collectebussen
Weken van te voren waren we thuis al bezig geweest met de groene collectebussen waarvan papa eventuele beschadigingen met een kwastje had bijgeverfd. Wij mochten er de labels omheen plakken, hij zelf kneep de loodjes dicht waarmee de bussen verzegeld waren. Ringetjes aan de binnenkant van de gleuf voorkwamen dat je er munten uit kon schudden, papiergeld diende opgerold in het daarvoor bestemde ronde gaatje te worden gestoken. Thuis heb ik nog zo?n bus staan; hij doet dienst als spaarpot.
'Burgerlijke blauwkousen'
Eind jaren zestig verloor het geloof mij en ik het geloof. Ik verwerd tot een onverdraagzame afvallige, velde een hard oordeel over wel gelovig gebleven katholieken die met de processie meeliepen. Hoorde het niet bij het student zijn en het in de grote stad wonen om ongenuanceerd te spreken over dorpse kwezels, burgerlijke blauwkousen en ziekelijke bigotten? Wij ?hippe jongeren? gingen ?gewoon? naar een popconcert in de Warrenkamp, eens nonnenklooster toen buurthuis waar ik trouwens lang als vrijwilliger heb gewerkt. De leegloop van de kerk was een maatschappelijk verschijnsel. En vormde de processie vanaf de jaren dertig van de twintigste eeuw, decennia lang een steevast terugkerend item in het Polygoon Journaal, in de loop van de jaren zestig verdween hij uit het nieuws. Tot het popconcert plaats vond. Alleen besteedde Philip Bloemendaal?s sonore stem geen woord aan de Sint Jansprocessie, alsof die niet meer bestond.
Sint-Janskriebel
Op een gegeven moment kreeg ik weer de Sint-Janskriebel als het tegen 24 juni liep. De eerste keer ging ik alleen in alle vroegte, om zeven uur ?s morgens naar de eenvoudige mis op het kerkhof waar de namen van gestorven parochianen worden genoemd. Het verbaasde me hoeveel ik er van kende. En een hevige ontroering beving me toen ik die van mijn broer, moeder, vader en neefje hoorde: Peter Hilhorst, Riek Hilhorst - van Schijndel, Piet Hilhorst en Jacob Hilhorst. Even kwamen ze zo tot leven, waren ze toch deelgenoot van het feest van Sint Jan de Doper naar wiens beeld achter in de kerk ik als kind zo heb opgezien, wiens wijzende arm me dwingend naar voren stuurde, wiens grote teen ik wel eens stiekem aanraakte.
Verstekeling
Al lang heb ik dus geen rol meer. Maar om nu als de eerste de beste toerist langs de kant van de weg te gaan staan kijken, past me ook niet. Daarvoor heb ik te veel respect gekregen voor de oprechte devotie van de processieganger, een devotie die ik immers ooit deelde. Voor mij is het geen ?optocht?, geen attractie vergelijkbaar met een bloemencorso dat aanbevolen wordt in Lekker-weg-in-eigen-land. Dat het wel ooit zover komt is de grote vrees van de voorzitter van de broederschap, Tim Bitter, zo blijkt uit een interview in het prachtboek Getuigenis op straat dat helemaal is gewijd aan de Larense Sint-Janstraditie. Wel durf ik tegenwoordig, als iedereen terug is in de rijk versierde basiliek, naar binnen te sluipen om alle coupletten van het wat absurde maar oh zo heerlijke Sint-Janslied mee te zingen. Als een verstekeling voel ik me dan. Een verstekeling in het schip van de kerk.


