Augustinisme
Het augustinisme is in strikte zin een stroming in de middeleeuwse theologie en filosofie, die geloof en rede in wisselwerking wilde zien. Breder opgevat staat het augustinisme voor de doorwerking van de leer van Sint Augustinus van Hippo (354-430) in verschillende takken van wetenschap. Zo bestaat er een filosofisch, theologisch en politiek augustinisme.
Rede, Genade, Rijk GodsIn het filosofisch augustinisme staat in navolging van Augustinus de rede samen met het geloof en de liefde ten dienste van waarheidsvinding. Theologisch augustinisme is de aanduiding voor de doorwerking van Augustinus' Genadeleer. Het politiek augustinisme borduurt voort op de middeleeuwse interpretatie van De Civitate Dei ('De Stad Gods'), Augustinus' boek dat de grondslag vormt voor het politieke denken over de verhouding tussen Kerk en Staat.
Caritas
Vooral het filosofisch en theologisch augustinisme zijn gebaseerd op Augustinus' inzicht dat de liefde (caritas) de kracht is waarin alles en allen pas echt gekend
worden: Res tantum amatur quantum cognoscitur ('een zaak wordt gekend in de mate waarin deze wordt bemind'). Daarom stelt hij in De doctrina Christiana (I, 58), dat de
caritas het exegetische principe moet zijn. Omdat de liefde tot God en de naaste de vervulling en het doel behelst van de Heilige Schrift, moet elke uitleg hiermee stroken. Augustinus
laat in vele werken doorschemeren dat de caritas de kracht is waardoor de mens moreel verantwoord handelt en zich daarmee op God richt. Tegelijk blijkt hij de caritas ook als
genadegave van God te beschouwen. Het is niet altijd duidelijk of Augustinus met caritas nu een menselijke of goddelijke kracht aanduidt.
Bernardus van Clairvaux
Het filosofisch augustinisme bleef gedurende de Middeleeuwen de omgang met de Bijbel trouw die in de eerste eeuwen door de kerkvaders was ontwikkeld. In de
Scholastiek van de universiteiten werd daarentegen gepoogd op grond van redelijk te verantwoorden argumenten en een logische argumentatie punten uit de geloofsleer inzichtelijk te maken. In
monastieke kringen klonk verzet tegen deze vorm van theologie omdat ervaring, affectie en intuïtie als kernprincipes zouden worden veronachtzaamd. Zo werd Abelardus (1079-1142), een
geleerde die in zijn Sic et non aan de rede en aan logische redeneren de voorkeur gaf, bestreden door de cisterciënzer Bernardus van Clairvaux (1091-1153). Deze benadrukte het
belang van de mystiek van de liefde en bleef daarmee een belangrijk aspect van het augustinisme trouw.
Moderne filosofie
In de moderne filosofie is er van augustinisme in strikte zin geen sprake. Dat neemt niet weg dat bijvoorbeeld G.W. Leibniz (1646-1716) en F.W.J. Schelling
(1775-1854) Augustinus' idee over het kwaad als privatio boni ('kwaad als het ontbreken aan het goede') overnamen. Voltaire of Nietzsche bestreden dat. Max Scheler (1874-1928) sloot zich
in zijn waarden-filosofie uitdrukkelijk bij Augustinus' analyse van de caritas aan.
Natuur en genade
Het theologisch augustinisme kreeg gestalte in de discussie over de verhouding van de menselijke natuur tot de goddelijke genade. Pelagius ontkende dat de mens door
de zondeval intrinsiek tot het kwade geneigd was. De mens heeft een vrije wil en is vanaf het begin zoals God hem gewild heeft. Augustinus benadrukte daarentegen dat de menselijke wil door de
zondeval was beperkt en de mens genade behoeft om tot voltooiing te komen.
Reformatie
De strijd rond genade en vrije wil zou steeds weer oplaaien. In de Reformatie verzetten Maarten Luther (1483-1536) en Johannes Calvijn (1509-1564) zich tegen het
Pelagianisme dat in hun idee in de kerk hoogtij vierde, omdat er nadruk werd gelegd op de inspanningsverplichting van de mens zelf bij het verwerven van de eeuwigheid. Zij grepen terug op
Augustinus' interpretatie van Paulus om de zwakheid van de mens te benadrukken. Alleen het geloof en de genade Gods zagen zij derhalve als onontbeerlijk voor de rechtvaardiging. De Leuvense
hoogleraar Michael Baius (1513-1589) en de bisschop van Ieper, Cornelius Jansenius (1585-1638) benadrukten van katholieke zijde het onvermogen van de mens en de noodzaak van de genade legt. De
Spaanse jezuïet Luis de Molina (1536-1600) nam een tegenovergesteld standpunt in en kende een (te) grote plaats toe aan de eigen werkzaamheid van de mens.
Drie 'augustinisten', vlnr: St. Bernardus, Luther en Jansenius
Geschiedenis
Aan het politiek augustinisme lag De Civitate Dei ten grondslag. Dit boek zou de westerse opvatting van de geschiedenis fundamenteel beïnvloeden. Augustinus
stelt erin twee heerschappijen tegenover elkaar: de civitas terrena ('het aardse rijk') en de civitas Dei ('het rijk Gods'). Uitdrukkelijk zegt Augustinus dat de Kerk niet
samenvalt met het rijk Gods, maar dat beide rijken zowel in de wereld als in de Kerk aanwezig zijn. Geschiedenis is volgens Augustinus niets anders dan de strijd tussen de twee rijken. Die
strijd blijkt uit de tegengestelden wereldlijk-geestelijk, machtsstreven-nederigheid, wellust-kuisheid, luxe-ascese, etcetera. Deze strijd is begonnen in de Hof van Eden en zal uiteindelijk
eindigen met het Laatste Oordeel, aldus Augustinus. Hij heeft dus een lineaire geschiedenisopvatting: de geschiedenis heeft een beginpunt en een eindpunt.
Twee-rijken-leer
Op basis van een middeleeuwse interpretatie van De Civitate Dei werd de zogenoemde Twee-rijken-leer geconstrueerd. Deze leer legitimeerde de scheiding van
de macht van Kerk en Staat: de kerk zorgt voor het eeuwig heil en de staat voor het aardse welzijn.
Hegel en Marx
De augustinistische geschiedenisopvatting zou ook doorwerken in het werk van G.W.F. Hegel (1770-1831) en Karl Marx (1818-1883). Het concept van het einde van de geschiedenis is terug te vinden
in het werk van de postmoderne filosoof Francis Fukuyama (1952).
Prof. dr. Paul van Geest
Hoogleraar Augustijnse Studies
aan de Faculteit Katholieke Theologie van de Universiteit van Tilburg
en aan de de Theologische Faculteit van de Vrije Universiteit van Amsterdam.


